Canonlo

1919

1920

1922

‘Grondslagen voor een Stelsel van Schoolgymnastiek’

De Haagse Kweekschool: J.H.O. Reys, P. Dekker en J.P. Penders mixen een kindvriendelijke ‘cocktail’

Synthese
Met zijn Grondslagen voor een Stelsel van Schoolgymnastiek (1920) probeerde de medicus J.H.O. Reijs in 1920 een synthese te scheppen van stelsels die al geruime tijd met elkaar streden. Samen met de praktijkdocenten P. Dekker en J.P. Penders verenigde hij het Duitse en het Zweedse stelsel met elkaar in een zogenaamd eclectisch stelsel. De goede elementen uit beide systemen werden samengevoegd. De bezwaren van beide systemen kwamen te vervallen.
De medisch gefundeerde oefeningen van P. Ling en opvolgers werden gekoppeld aan de Duitse toestellen. Een opvallende vernieuwing was dat leerlingen plezier moesten beleven aan de gymnastiekles. Dat kwam voort uit de opvatting van toen dat meer vanuit de positie van het kind moest worden gedacht en dat een stelsel 'kindvriendelijk'

stelsel 'kindvriendelijk'

‘Zal een stelsel deugdelijk zijn, en zich aanpassen aan de hygiënische, zoowel als aan de psychologische eischen van het kind, dan dient het in de eerste plaats elastisch te zijn, opdat hij, die het stelsel moet onderwijzen, zijn volle persoonlijkheid er aan zal kunnen geven. Rekbaar is ieder deugdelijk stelsel, daarom vertrouwen wij, dat onze arbeid vruchtdragend kan zijn en hopen, dat hij dit ook zal worden’. (Penders J, Grondslagen voor een stelsel van schoolgymnastiek, p. 12.)
moest zijn..

Gedreven grondlegger
Reijs was privaatdocent aan de Leidse Universiteit en oprichter (1912), van de Kweekschool voor Gymnastiek en Heilgymnastiek. Later werd dat de kweekschool, Instituut voor Lichamelijke Opvoeding, de voorganger van de Haagse Academie voor Lichamelijke Opvoeding. Deze bleef bestaan tot de oprichting van de Hogescholen in 1987. Tegenwoordig is 'lichamelijke opvoeding' een van de opleidingen van de Academie voor Sportstudies van de Haagse Hogeschool.

Denken en doen
In zijn openbare lessen

Openbare lessen

In het krantenknipselboek van Reijs staat een 'advertentie' uit de Volkskrant (september 1920). Het betreft de aankondiging van een serie openbare lessen die Reijs, als privaatdocent in de Lichamelijke Opvoeding aan de Rijksuniversiteit Leiden, voornemens was te gaan geven. Onder de noemer Medische Wetenschap en Lichamelijke Opvoeding kondigde Reijs onderstaande lessen aan en voegde daar nog enkele praktische zaken aan toe:
  • 1. Doel der lichaamsoefeningen voor den verschillende leeftijden.
  • 2. Waarde van de verschillende lichaamsoefeningen.
  • 3. Inleidende Oefeningen, houdingsgymnastiek en arbeidsgymnastiek.
  • 4. Zenuwgymnastiek, bewegingsspel en volksdans.
  • 5. Andere lichaamsoefeningen.
Woensdag 8 uur, elke week. Aanvang 2 oktober: 5 lessen. Lesgeld: F. 2,75, F. 2,- of F. 1,25. Aantal deelnemers: 60.
als privaatdocent zette Reijs duidelijk zijn opvattingen uiteen. Zijn uitgangspunt van de lichamelijke opvoeding is de toegepaste fysiologie, ondanks het feit dat het ook grenst aan de psychologie en de pathologie. Bovendien wees hij erop dat de lichamelijke opvoeding ook pedagogische betekenis heeft. Volgens Jaap Kugel wordt daardoor waarschijnlijk het grote succes van dit eclectische systeem in Nederland verklaard.
De gedachten van Reijs werden vooral uitgewerkt door P. Dekker en J. Penders, de praktijkdocenten van de Kweekschool. Zij schreven in de periode 1926-1936 meerdere handleidingen voor de schoolgymnastiek. Daarin werden de lichaamsoefeningen voor de school, zowel voor het lager als voor het middelbaar onderwijs, ingedeeld in de volgende groepen: 'gymnastiek, openluchtspelen, zwemmen, athletiek, rhytmische gymnastiek, afstandmarschen en bijzondere schoolgymnastiek'. Typerend daarbij is dat de atletiek alleen aan de jongens werd toegedeeld en de ritmische gymnastiek alleen aan de meisjes.
De verdeling van de lichaamsoefeningen over de week toont duidelijk dat men ook in die tijd voorstander was van dagelijkse beweging. In de handleidingen werd voor kinderen aanbevolen: driemaal in de week gymnastiek, tweemaal openluchtspel en eenmaal zwemmen (vanaf 10 jaar). Daarnaast eens per maand een wandeling, beginnend bij één tot twee uur. Later oplopend tot drie tot vier uur per keer.

De 'eischen' van Dekker en Penders
De practici Dekker en Penders stelden onderstaande 'eischen' waaraan de schoolgymnastiek moest voldoen:
  1. tegemoetkomen aan de bewegingsdrang der kinderen;
  2. een hoeveelheid lichaamsarbeid verstrekken;
  3. een correctief bieden aan schoolschadelijkheden;
  4. de houding aangeven,behouden en verbeteren;
  5. bloedsomloop, ademhaling, spijsvertering en huidfunctie gunstig beïnvloeden;
  6. de juistheid der bewegingen aanleren en onderhouden;
  7. psychische hoedanigheden als: snelheid van handelen, zelfvertrouwen, enz. bevorderen;
  8. gevolgen opleveren, bruikbaar in het praktische leven.

Wegebbende invloed
Nog tijdens de verschijning van de praktijkuitwerkingen werd de invloed van de Oostenrijkse schoolgymnastiek steeds groter. Dit kan worden afgeleid uit de inleidende teksten van bovengenoemde 'Handleidingen' van Dekker en Penders. De sterk gereglementeerde vormen werden meer en meer losgelaten. Het is daarom moeilijk het exacte einde van de Haagse Kweekschool te bepalen. Wellicht is dat het opgeven van de reserve ten opzichte van het 'natürliches Turnen van de Oostenrijkse School' in 1942.

Literatuurverwijzingen

  • Kugel, J. (s.a.). Inleiding in de geschiedenis van de gymnastiek (3e druk). s.l.: s.n. 146 p. (Met name p. 118-120; p. 140).
  • Rijsdorp, K. en Kramer, J.P. (red.; s.d.). De ontwikkeling van de stelsels van lichamelijke opvoeding (verzamelde opstellen: deel I). Den Haag- Rotterdam: Nijgh & Van Ditmar. Het opstel van K. Rijsdorp (p.107-111) en het opstel van J.H.O. Reijs (p. 92-98).
  • Dekker. P. en Penders, J. (1926-1935). Handleiding voor het geven van school-gymnastiek (Deel 1, 2, 3A, 3A2, 3B, 3B2). Rotterdam: Nijgh & Van Ditmar.
  • Penders, J., et al. Grondslagen voor een Stelsel van Schoolgymnastiek. Den Haag: Kweekschool ter opleiding voor Gymnastiek en Heilgymnastiek'.
  • Timmers, E. et al. (2002). HALO 90 jaar, Jubileumboek ter gelegenheid van het 90-jarig bestaan van de Halo. Genootschap van Vrienden van de Halo, p.13, p.24.


Auteur: Henk Mijnsbergen