Canonlo

1920

1922

1924

‘Ausdrucksgymnastik’

Overzicht verdiepingsteksten

De muzisch-esthetische stromingen aan de basis van dansante bewegingsvormen

Rudolf Bode (1881-1970) zag bewegen als levensuiting. In zijn ritmische gymnastiek

ritmische gymnastiek

De opvattingen van Bode en tijdgenoten zijn mede geïnitieerd als een reactie op het mechanische van de industriële revolutie. Kenmerk voor Bode was dat hij, in tegenstelling tot E. Jacques-Dalcroze en H. Medau, de muziek van ondergeschikt belang vond.
Bode wilde met zijn ritmische gymnastiek:
  • het door de cultuur verleerde levensritme weer leren aanvoelen;
  • het levensrritme (het leven = het vitale) beschermen tegen de invloed van de geest, wil, het intellect;
  • zo kern te zijn van veelzijdige natuurlijke lichaamsoefeningen.

De bewegingen bij Bode zijn continu totaalbewegingen, die aangrijpen in het zwaartepunt, vanuit het centrum lopen naar de periferie, waabij spanning en ontspanning elkaar op de juiste wijze afwisselen.
speelt de ontspannen, ritmische totaalbeweging een grote rol en krijgt de muziek een 'dragende en ondersteunende' functie. Met publicaties (onder andere Ausdrucksgymnastik, 1922), cursussen en demonstraties maakte hij indruk in heel Europa. Zijn werk, en dat van zijn leermeester E. Jaques-Dalcroze en zijn leerling H. Medau, bracht de muziek en het 'totaal bewegen' als 'nieuwe richting' in de wereld van de lichamelijke opvoeding (LO) in Nederland.

Vitalisme
Begin twintigste eeuw onderging de LO in Nederland invloeden vanuit drie 'idealistisch-vitalistische stromingen': de jeugdbeweging, de spel- en sportbeweging en drie kunstrichtingen. Als gevolg daarvan ontwikkelden zich twee varianten: een 'individueel denken (Erlebnis-, Ausdruck- , Freiluft- en Freizeitdenken)' en een 'collectief denken (Team-, Schule-, Competition- en Fairplaydenken).
Het materieel (elementar) gedachtegoed van de Duits-Nederlandse gymnastiek de analytisch-synthetische opvatting van de Zuidermethode, het hygiënisch-utilitaire standpunt van de Zweedse gymnastiek en later de Haagse Kweekschool, kregen daardoor concurrentie van het vitalistisch denken

vitalistisch denken

Geen enkele Academie voor Lichamelijke Opvoeding in Nederland was exclusief aanhanger van het vitalisme als levensfilosofie of van een van de drie genoemde stromingen. Desondanks hebben zij zich niet kunnen en willen onttrekken aan deze invloeden. Dat is onmiskenbaar zichtbaar in een deel van haar cultuurgoed en de daarmee samenhangende (ped)agogische doelen, alsook in het didactisch/methodisch denken en handelen.
.
Dat leidde in het interbellum tot een botsing tussen de twee rationele systemen (Duits en Zweeds) en de drie genoemde 'emotionele' stromingen

stromingen

Elk van deze stromingen kende een eigen terminologie, ‘filosofie’, ‘bewegingswetten’, stijl, persoonlijke interpretaties en accenten. Dat leidde tot uiteenlopende opvattingen en werkwijzen.
. Het vitalisme verdrong daarbij langzaam het 'biocentrische ' en het ‘logocentrische’ (Lenssen, 1964).

Vrouwen en kinderen eerst
De uitdrukkingsvolle 'erotische' sluierdansen van Isidora Duncan en de niet of schaars geklede 'bewegingskoren' ten tijde van Rudolf von Laban, pasten in Nederland niet in het toenmalige preutse (bewegings)onderwijs. De ritmische gymnastiek (RG) ontwikkelde zich daarom in de eerste decennia van de 20e eeuw aanvankelijk  in de wereld van dans- en balletscholen en daarna in de meisjes-/damesafdelingen van de gymnastiek-/turnverenigingen.
Na WO II begon de RG aan een opmars in de wereld van de LO. In het voortgezet onderwijs kwamen jongens pas structureel in aanraking met RG nadat eind jaren tachtig de lessen LO gemengd werden (zie bijv. Van Essen, 1999) en de werkplannen voorzagen in een aantal lessen 'bewegen op muziek'.

Globale ontwikkelingslijnen (voor een uitgebreide beschrijving: zie ontwikkelingslijnen)
  • Van grondvormen van bewegen, later aangevuld met volks- en kinderdans, via jazzgymnastiek, conditionele vormen (zoals aerobics en steps), en afro-invloeden naar een ongelimiteerde dansante 'bewegingsvocabulaire'.
  • Van het herhalen van gekozen activiteiten in aanwezigheid van anderen en een individueel 'naïeve' uitdrukking/uitbeelding, in de richting van het zelfstandig ontwikkelen en uitvoeren van eenvoudige choreografieën met een accent op adequate individuele en/of groepsuitdrukking en/of uitbeelding.
  • Van klassieke handgereedschappen (knots/bal/hoepel/touwtje/stok) naar nieuwe, aangepaste, en minder gebruikte handgereedschappen.
  • Van eenvoudige muzikale ondersteuning of 'live'-begeleiding naar verplaatsbare/vaste geluidsdragers en -installaties.
    Van zelf samenstellen/selecteren van muziek naar speciaal voor het doel en de doelgroep gecomponeerde muziek.
    Van relatief rustige muziek, via muziek met een 'drive' naar de populaire jeugdmuziek.
  • Van toepassing in de vereniging en basisonderwijs naar een curriculumonderdeel in primair en voortgezet onderwijs voor beide geslachten.
  • Van nauwelijks aandacht op mbo- en hbo-opleidingen, via een 'verplicht' keuzevak voor dames aan de ALO's, naar een volwaardige plaats op die opleidingen.
  • Van ritmische gymnastiek naar 'bewegen en muziek'.
  • Van uniforme (turn)sportkleding naar volledige individualiteit in gekozen sportkleding.

Live is dance and music
Het bezit van een eigen geluidsinstallatie droeg enorm bij aan de verspreiding van de muziek. Tegenwoordig speelt nagenoeg het hele dagelijks leven alsook het arbeids- en vrijetijdsleven zich af tegen de achtergrond van muziek.
De popularisering van muziek en dans vanaf midden jaren vijftig

midden jaren vijftig

De invloed van het dansduo Ginger Rogers en Fred Astaire, en de choreografieën van Martha Graham op de populariteit van dans in die tijd en daarna, moet echter niet onderschat worden.
leidde tot sterke verbetering van het imago van bewegen op muziek in de jaren zeventig. De productie van (soms speciaal op dans gerichte) films, musicals en televisieseries

films, musicals en televisieseries

Enkele voorbeelden daarvan, vanaf midden jaren vijftig, zijn Rock around the clock, West Side Story, Hair, Jesus Christ Superstar, Saturday night fever, Grease, Fame, et cetera. Maar denk ook aan bijvoorbeeld Glee, de Amerikaanse, komische, muzikale televisieserie uit 2009.
, het gebruik van 'ondersteunende' (show)dansgroepen, de media-aandacht, en de interferentie met eerder geschetste impulsen (jazzgymnastiek/aerobics/steps/hiphop/breakdance/streetdance) zorgden in de jaren tachtig en negentig voor een cultuuromslag waarin het steeds hipper werd om te dansen. De invloed van diskjockeys, populaire talentenjachten, YouTube en dans(auditie)programma’s op televisie

televisie

Programma’s als ‘So you think you dance’, ‘The ultimate Dance Battle’, ‘Strictly come dancing’, ‘Everybody dance now’ en ‘Battle on the Dancefloor’.
(vanaf 2005) zorgden voor een definitieve doorbraak van de dans.

Literatuurverwijzingen

  • Bode, R. (1922). Ausdrucksgymnastik. München: Beck, 55 p.
  • Büchner, H.J.F. en Tilborg, C.G.A.T. van (1997). Visies in beweging: opleidingsconcept ALO-Tilburg. Tilburg: Fontys Hogescholen, p. 12 en 22.
  • Essen, M. van (1999). Gender in beweging. Over pedagogiek en sekse in de lichamelijke opvoeding van de twintigste eeuw. Groningen: ADNP; Zeist: Jan Luiting Fonds, nr. 65.
  • Gerdes, O. (1962). 'Ritmische gymnastiek in pedagogisch perspectief'. In: De lichamelijke opvoeding, 210-214; 244-255.
  • Korpershoek, J.M.J. (1909/1913). 'De ritmische gymnastiek van Jacques Dalcroze. Een vondst – een gevaar (1909)'; 'De esthetische stromingen op het gebied der lichamelijke opvoeding 1913'. In: Kramer, J.P. (1967). Keur uit het werk van Johannes Martinus Jacobus Korpershoek. Zeist: Jan Luiting Fonds, p 13-104.
  • Kramer, J.P. en Kugel, J. (1962). Geschiedenis van de lichamelijke opvoeding in Nederland. Zeist: Jan Luitingfonds, p. 58-63;
  • Kramer, J.P. en Lommen, N. (1987). Geschiedenis van de Lichamelijke Opvoeding in Nederland. Zeist: Jan Luitingfonds, p. 96-102.
  • Kramer, J.P. en Rijsdorp, K. (red.)(1967). De ontwikkeling van de stelsels van lichamelijke opvoeding (Verzamelde opstellen deel I). Den Haag/Rotterdam: Nijgh & Van Ditmar, p. 113-174.
  • Kugel, J. (1977). Geschiedenis van de gymnastiek. Haarlem: De Vrieseborch, p. 129; p. 136-155; p. 136-162; p. 256
  • Lenssen, G. (1964). Methodiek. In: St. Thomas van Aquino, p. 717.
  • Moerman-van den Bergh, A. (1961). 'Ritmische gymnastiek'. In: Handleiding voor verenigingsleiders (sters), Deel I (Algemeen gedeelte). S.l., Commissie cursuswezen van het Koninklijk Nederlands Gymnastiek Verbond, p. 174-215.
  • Tilborg, C.G.A.T. van (2000). Sedimenten van sentimenten: 75 jaar Academie voor Lichamelijke Opvoeding Tilburg. Tilburg: Fontys Sporthogeschool. Deel 2: Status maturandi 1956-1986, p. 107-113; Deel 3: Status renovandi 1986-1999, p. 239.

Externe links



Auteur: Kees van Tilborg