Canonlo

1949

1951

1956

‘Het houdingsprobleem in de lichamelijke opvoeding’

Overzicht verdiepingsteksten

Het houdingsprobleem in de LO en de bijdrage van J.M.J. Korpershoek, voorzitter (1929-1962) van 'De Nederlandse', aan de ontwikkeling van de lichamelijke opvoeding

In de tweede helft van de 19e eeuw waren het voornamelijk medici die wezen op het belang van een goede houding voor de gezondheid. Het gezondheids- en heilgymnastisch uitgangspunt was sterk aanwezig in het Zweedse Stelsel van gymnastiek. Deze 'hygienisch-correctieve' (houdings)gymnastiek sloeg aan in andere landen, maar kwam onder druk te staan in de decennia rond de overgang van de 19e naar de 20e eeuw

De decennia rond de overgang van de 19e naar de 20e eeuw

Deze decennia werden voor de LO in Europa gekenmerkt door grote veranderingen (spel- en sportbeweging, jeugdbeweging, ritmische stromingen, nieuwe wetenschappelijke inzichten). De bestaande systemen (Zweeds en Duits) kregen flinke kritiek en moesten aanpassingen doen, ook op het gebied van de (houdings)gymnastiek.
In Denemarken stelde N. Bukh dat lenigheid dat de eerste voorwaarde was voor een goede houding. Die lenigheid kon worden bereikt door actieve werking en rekking van de betreffende spieren van de betrokken gewrichten.
In Frankrijk bestond de houdingsopvoeding volgens G. Hébert in de praktijk uit een flinke portie natuurlijke functionele arbeid via de grondvormen van bewegen. Als gevolg daarvan besteedde de leraar minder aandacht aan controle van de houding (en de beweging).
In Duitsland wees R. Bode bewust lokaliserende werkwijzen af. Medisch-biologische uitgangspunten waren voor hem ontoereikend. In zijn ‘Ausdrucksgymnastiek’ zat een ‘opbouw-gedachte’. Meer expliciet aandacht voor ‘opbouw’ en de toepassing daarvan werd gepropageerd door Bess Mensendieck. De fundering van de Mensendieckgymnastiek berust sterk op hygiënische, functionele en esthetische overwegingen.
.

In de lichamelijke opvoeding in Nederland kwam het houdingsprobleem rond 1930 sterk in de aandacht vanuit het systeem van de Oostenrijkse School. In de systematiek waren criteria voor een goede houding

Criteria voor een goede houding volgens de Oostenrijkse School:

  • doelmatig opgebouwd: zo min mogelijk evenwichts- of spierarbeid;
  • functioneel juist: geen belemmering van orgaanfuncties;
  • persoonlijk: waar, echt, eerlijk, typisch.
geformuleerd en was houdingsopvoeding dominant opgenomen via twee (van de vier) werkdoelen, te weten 'normalisering' en 'vorming'

‘Normalisering’ en ‘vorming’

Normalisering (Ausgleich)
Onder ‘Ausgleich’ (normalisering) werd verstaan het verbeteren van kleine foutjes in bouw en functie die een juiste houding en beweging in de weg staan. Die verbetering kon gerealiseerd worden door de ‘Ausgleich als Grundsatz’ (in veel en veelzijdig bewegen zit een vereffende tendens) en normaliserende oefeningen (‘Ausgleichsübungen’). Dat zijn lenigheidsoefeningen, rekkingsoefeningen en ontspanningsoefeningen gericht op de bovenste ledematen, de onderste ledematen en de romp.

Vorming (Formung)
De ‘Formung’ (vorming) bestond uit houdings- en bewegingsvorming en diende om ieder kind tot zijn persoonlijk beste (optimale) houding en beweging te brengen. Dat kon bereikt worden door de ‘Formung als Grundsatz ’ (in de lessen LO moet altijd en overal gelet worden op de juiste houding en beweging) en specifieke vormende oefeningen (‘Formungsübungen’) bestaande uit houdingsvormende oefeningen en bewegingsvormende oefeningen. De houdingsvormende oefeningen werden verdeeld in opbouwoefeningen (Aufbauübungen) en instellingsoefeningen (Einstellungsübungen). Bij de opbouwoefeningen werd aandacht besteed aan de juiste stand van de lichaamsdelen (skelet) ten opzichte van elkaar in de rechtopgaande stand (ook het gaan) en in zit. Bij de instellingsoefeningen stond de juiste stand van de lichaamsdelen (skelet) ten opzichte van elkaar in een arbeidshouding (werk en sport) centraal.
.

Tegen deze achtergrond, en na intensieve bestudering van wetenschappelijke (met name medische) literatuur, publiceerde J.M.J. Korpershoek tussen 1946 en 1948 een viertal artikelen waarin de menselijke houding en de houdingsopvoeding centraal stonden. In 1951 werden de artikelen gebundeld uitgegeven in Het houdingsprobleem in de lichamelijke opvoeding. Jo Korpershoek ging in de artikelen uitgebreid in op de wijze waarop deze thematiek binnen de gymnastische systemen (ook in andere landen) werd benaderd, geaccentueerd en geproblematiseerd. Hij sprak zich uit over criteria voor een goede houding en de grenzen en speelruimte daarbij, over de betekenis voor de ligging en functie van de organen, over de 'arbeidgeschikheid' van het bewegingsapparaat en over het beoordelen van de menselijke houding vanuit esthetisch oogpunt.

Korpershoek kreeg veel erkenning voor zijn publicaties over het houdingsprobleem. Zijn deskundigheid was echter veel breder, getuige de diversiteit aan onderwerpen waar hij over publiceerde. Omdat Korpershoek oog had voor alle mogelijke aspecten van de lichamelijke opvoeding en zijn vele publicaties voorzag van wetenschappelijke documentatie was hij volgens G. Groenman 'de eerste man van de wetenschap van de lichamelijke opvoeding'.

Korpershoek was een gepassioneerd bestuurder en tijdens zijn langdurige voorzitterschap van de KVLO heeft hij zeer strijdbaar het totale belang van lichamelijke opvoeding in de lesurentabellen in alle vormen van onderwijs verdedigd. Zijn 'basisfilosofie' is te herleiden uit zijn tientallen speeches, talrijke brieven, vele artikelen en zijn standaardwerk. Doel en plaats der lichamelijke opvoeding onder de huidige cultuuromstandigheden: Biologisch-Paedagogische Beschouwingen (1926).

Korpershoek zag de mens als biologisch verschijnsel en als cultuurproduct, maar tevens als cultuurproducent en als een in een gemeenschap levend individu. De premisse van Korpershoek is dat bij de mens tekorten ontstaan als geen correctie plaatsvindt door fysiologische inspanning en spierarbeid ter stimulering van groei. Die aandacht voor het hygiënisch-correctieve

Hygiënisch-correctief

In deze ‘gedragsmodus’ (Büchner en Van Tilborg; 1997) staat het lichaam als grond van ieders bestaan centraal. Daarbij wordt het lichaam geobjectiveerd naar structuurcomponenten en conditionele componenten. Op grond van een analyse van dat geobjectiveerde lichaam worden dan correctieve programma’s of trainingsprogramma’s opgezet. De bewustwording van de noodzaak van deze programma’s treedt vaak pas op als men met grenzen en/of beperktheden van zijn kunnen wordt geconfronteerd. Sedimenten van deze gedragsmodaliteit zijn bekend in een grote cultuur-historische variabiliteit met steeds wisselende namen en accenten.
in de lichamelijke opvoeding werd na het overlijden van Jo Korpershoek (1967) en het verdwijnen van de invloed van de Oostenrijkse School langzaam minder. In de tweede helft van de 20e eeuw is het hygiënisch-correctieve, al dan niet in combinatie met het esthetische, terug te vinden in de ritmische conditionering, algemene conditieoefeningen (spierversterkende, lenigmakende en rekkingsoefeningen) en vormen van fitness.

Stokvis en Van Hilvoorde (2008) tonen aan dat de huidige fitnessindustrie met 'werken aan het eigen lichaam' en 'jezelf fit houden' deels een verzelfstandiging is van het idee dat lichamelijke opvoeding medisch-biologisch kan worden gemotiveerd. Dat was precies de legitimering van Korpershoek. Maar in de 21e eeuw is het gezondheidsmotief voor bewegen van de lichamelijke opvoeding voor een groot deel verschoven naar de sportwereld.
De benadrukking van gezondheid als vitale capaciteit, de corrigerende invalshoek op de lichaamshouding en de esthetiek vinden we in het huidige onderwijs dan ook nauwelijks meer terug. De leraar LO is terughoudend met een goed/slecht- en/of mooi/lelijk-

Goed/slecht en/of mooi/lelijk

Functionele-economische en esthetische criteria zijn de rode draad in de aandacht voor de houding in de lichamelijke opvoeding. In de loop der eeuwen (b.v. het Griekse schoonheidsideaal, het mannelijke krachtige ridderideaal, de schoonheid van de romantiek, het krijgshaftige van de militairen) maar ook in de laatste 150 jaar was de inhoud van functionaliteit, economie en esthetiek regelmatig verschillend. Goed/slecht, normaal/abnormaal, mooi/lelijk werd vaak gekoppeld aan de heersende opvatting over functie, economie en esthetiek (soms verschillend per ontwikkelingsfase en geslacht) en bleek sterk cultureel bepaald.
oordeel en probeert, binnen en buiten de lessen, subjectieve kenmerken van de houding te onderscheiden van objectieve (rugafwijkingen, ademhalingsstoornissen etc.). Fysiotherapie en MRT bewijzen in voorkomende gevallen dan betere diensten.

Suggesties voor doorstuderen

  • Büchner, H.J.F. en Tilborg, C.G.A.T. van (1997). Visies in beweging: opleidingsconcept ALO-Tilburg. Tilburg: Fontys Hogescholen, p. 12.
  • Kramer, J.P. (1962). De geschiedenis van de Vereniging van leraren en onderwijzers in de lichamelijke opvoeding in Nederland. In: Bakker, M.C., Kramer, L.D.E.J., Land, A.A., Rijsdorp, K. en Schmüll, D.H. (red.) 1962). Honderd jaar Lichamelijke Opvoeding. 1862-1962. Gedenkboek van de Vereniging van Leraren en Onderwijzers in de Lichamelijke Opvoeding in Nederland. S.l., p. 66-75.

Literatuurverwijzingen

  • Bukh, N. (1930). Primitieve gymnastiek (bewerking van G. Pront). Haarlem: Tjeenk Willink
  • Dekkers, M. (2006). Lichamelijke oefening. Amsterdam/Antwerpen: Contact.
  • Graafland, N.M. (1953). De archieven spreken, 25 jaar stroomopwaarts. Uitgave van de secretaris van de Vereniging van Leraren in de Lichamelijke Opvoeding in Nederland.
  • Hébert, G. (1920). L'éducation physique ou l'entrainement complet par la méthode naturelle. Paris: Vuibert.
  • Korpershoek, J.M.J. (1926). Doel en plaats der lichamelijek opvoeding onder de huidige cultuuromstandigheden. Rotterdam: Nijgh & Van Ditmar.
  • Korpershoek, J.M.J. (1951). Het houdingsprobleem in de lichamelijke opvoeding, een viertal studies. Utrecht: Jan Luiting Fonds.
  • Kramer, J.P. (1967). Keur uit het werk van Johannes Martinus Jacobus Korpershoek. Utrecht: Jan Luiting Fonds.
  • Stokvis, R. en Hilvoorde, I. van (2008). Fitter, harder & mooier. De onweerstaanbare opkomst van de fitnesscultuur. Amsterdam: De Arbeiderspers.
  • Hildebrandt V.H., Chorus, A.M.J. en Stubbe, J.H. (red.) (2010). Trendrapport Bewegen en gezondheid 2008-2009. Leiden: TNO, Kwaliteit van Leven.


Auteur: Bram Donkers