Canonlo

1951

1956

1958

Examenreglement voor de middelbare akten

Overzicht verdiepingsteksten

Het ontstaan en de ontwikkeling van bevoegdheden en examens

Vanaf 1 januari 1956 zijn de ALO's als vierjarige dagopleiding door het Rijk op gelijke voet gefinancierd. In hetzelfde jaar werden de procedures voor de inrichting van de examens voor de middelbare akten, en dus ook het examen voor de 'akte MO P

akte MO P

De akte voor het middelbaar onderwijs lichamelijke oefening werd in het dagelijks gebruik de akte MO P genoemd, omdat in 1864 de examens ter verkrijging van de toenmalige akte van bekwaamheid voor schoolonderwijs in de gymnastiek stonden beschreven onder de letter P (Staatsblad 1964, nr. 8).
', geüniformeerd.
De oorsprong van dit examen ligt zeven jaar na de eerste overheidsbemoeienis met gymnastiek

eerste overheidsbemoeienis met gymnastiek

Voordat sprake was van overheidsbemoeienis met gymnastiek werd de vraag naar scholing op het gebied van gymnastiek voornamelijk ingevuld met eigen opleidingen (vanaf 1852) aan de normaalscholen (kweekscholen) van de ‘Maatschappij tot Nut van het Algemeen’. De belangstelling (o.a. van '‘t Nut’) voor lichamelijke opvoeding halverwege de 19e eeuw leidde er uiteindelijk toe dat gymnastiek in de Wet op het lager onderwijs van 1957 werd opgenomen als één van de niet-verplichte vakken. De verplichte vakken voor ‘het gewoon lager onderwijs’ stonden namelijk beschreven onder de vakken a t/m i. 'Gymnastiek' stond beschreven onder de letter n en was dus niet verplicht. De examens lager onderwijs stonden in elke provincie onder toezicht van de inspecteur en vier (district)schoolopzieners.
(1857) en twee jaar na de oprichting van de KVLO (1862). Op 2 februari 1864 werd namelijk het eerste examenprogramma voor het middelbaar onderwijs vastgesteld. Voor 'het schoolonderwijs in de gymnastiek' stonden als onderdelen vermeld: theorie, bedrevenheid in 'nuttige lighaamsoefeningen', schermen en exerceren. In 1867 werd het lesgeven daaraan toegevoegd. De voorschriften waren echter zeer globaal en de kwaliteit van de opleidingen liet te wensen over.

Weinig kwaliteitsverbetering tot 1940
Gepoogd werd de kwaliteitsproblemen van de opleidingen op te lossen door het verzwaren van het examenprogramma. Aanzetten waren het in 1885 uitsplitsen van het gemeenschappelijk programma

uitsplitsen van het gemeenschappelijk programma

De bevoegdheid voor het lager onderwijs kon vanaf de invoering van de onderwijswet van 1863 gehaald worden, maar pas in 1885 werden de examens uitgesplitst in:
  • een examen ter verkrijging ener akte van bekwaamheid voor schoolonderwijs in de gymnastiek (P);
  • een examen ter verkrijging ener akte van bekwaamheid voor huis- en schoolonderwijs in de gymnastiek.
in twee verschillende programma's – een voor de akte middelbaar en een voor de akte lager onderwijs - en het in 1917 invoeren van een schriftelijk examen (een opstel en drie vragen) en nieuwe theoretische en praktische vakken.
Deze wettelijke wijzigingen leiden in de decennia daarna echter nauwelijks tot verhoging van het peil van de opleidingen. De organisatie van de examens was gebrekkig en de examens werden regelmatig ontsierd door problemen. Ook de examenresultaten waren zeer slecht. Dat was het gevolg van de gebrekkige (voor)opleiding van de kandidaten, maar ook door het opportunistisch optreden van de overheid die in 1934 de inspectie ophief en een loopje nam met het uitvoeren en handhaven van lichamelijke oefening als verplicht vak in het lager en middelbaar onderwijs.

Voortdurende vernieuwing vanaf WO II
Pas vanaf 1940 volgden de kwaliteitsimpulsen voor de lichamelijke opvoeding elkaar in snel tempo op. De regelmatige wijzigingen in structuur en inhoud van opleidingen en examens werden aanvankelijk gestuurd door de bezetter

gestuurd door de bezetter

Bedoeld wordt het besluit van de bezetter in 1941 om de uit 1920 daterende wettelijke verplichting van het vak lichamelijke oefening in het lager onderwijs definitief uit te voeren.
tijdens WO II , het werk van de inspecteurs en consulenten vanaf 1941, de snelle ontwikkeling van de sport en een steeds breder scala aan bewegingsvaardigheden in de opleidingen.
De ALO's kregen een belangrijke kwaliteitsimpuls met de overgang (1956) van een driejarige deeltijdopleiding naar een vierjarige gesubsidieerde dagopleiding en het inrichten (vanaf 1958-1959) van de opleidings- en examenprogramma's

opleidings- en examenprogramma’s

De ALO-Overlegraad, later ALO-Directeurenoverleg (ALO-DO), werkte mee aan de inhoudelijke invulling van de exameneisen. Het examenprogramma omvatte naast eigen bedrevenheid en lesgeven in atletiek, gymnastiek, spel, zwemmen en twee (uit zeven genoemde) keuzevakken ook theorie (medische en gedragswetenschappen, geschiedenis en didactiek). De examens werden, in samenwerking met de ALO’s, georganiseerd door de staatsexamencommissie ’MO P-Lichamelijke Oefening' (de zogenaamde ‘algemene commissie’).
op basis van het Besluit examenprogramma middelbare akte lichamelijke oefening (1958) en het reglement examens middelbare akten 1959. Een keerpunt was ook de invoering in 1980 van instituutsexamens waarmee de omvang en de zwaarte van de examens werd verminderd

examens

De geweldige stijging van het aantal studenten onttrok tijdens de examenperiode wekenlang veel docent-examinatoren aan de opleiding. Dat leidde in de jaren zeventig tot grote hervormingen die onder leiding stonden van Arie de Froe en Jelle Nauta, toenmalig voorzitter respectievelijk secretaris van de examencommissie.
en er voor de reguliere ALO-studenten een einde kwam aan de zo verguisde staatsexamens. De staatsexamens voor de akte MO P hebben uiteindelijk 133 jaar bestaan (tot 1 januari 1998).

In de steeds veranderende samenleving werd vanaf de jaren zeventig de invloed en frequentie van interne en externe variabelen steeds groter. Deze variabelen, afkomstig uit zeer verschillende sectoren hadden een voortdurende sturing op de kwaliteit van de opleidingen en examens.
Bij het initiatief tot en de realisatie van veel van genoemde vernieuwingen speelden de inspecteurs hoger onderwijs Jan Wilmans en Mike Schouten alsmede de KVLO een rol. Dat gebeurde in samenwerking met de betrokken opleidingen, de landelijke examencommissie(s) en de (mede)verantwoordelijke (leerplan)instituties.

Nagenoeg alle overige bevoegdheden en (staats)examens verdwenen
Naast de bevoegdheid voor het middelbaar onderwijs bestonden in de loop der jaren diverse andere bevoegdheden op het gebied van de gymnastiek en lichaamsoefeningen. Al de daarbij behorende opleidingen en examens hebben in de loop der jaren ook diverse bijstellingen en vernieuwingen ondergaan die de kwaliteit ten goede kwamen, maar uiteindelijk zijn alle bevoegdheden en daarbij behorende opleidingen en (staats)examens verdwenen.
Slechts de bevoegdheid voor het basisonderwijs is, weliswaar in een gewijzigde vorm, behouden gebleven. De opleiding daartoe wordt verzorgd door de Pabo's. Voor de Pabo's, die na WO II tot 1985 de aparte opleiding 'aantekening j' verzorgden, werd in 2005 namelijk een afzonderlijke opleiding ingesteld onder de naam Leergang vakbekwaamheid bewegingsonderwijs. Deze leergang betreft een keuzevak, deels initieel deels postinitieel, voor studerenden/afgestudeerden van de Pabo. De opleiding geeft, bij het succesvol afsluiten, de bevoegdheid voor het geven van bewegingsonderwijs aan leerlingen van groep drie tot en met acht.
Curiosa
  • De voor onderwijzers in het lager onderwijs verplichte scholing vanaf 1890 werd de 'huppelakte' (vrije en orde-oefeningen) genoemd. Deze 'akte' kon ook door niet-onderwijzers gehaald worden.
  • Vanaf 1913 bestond het getuigschrift Leider/Leidster van lichaamsoefeningen. Niet voor het onderwijs opgeleide sportleiders verwierven met dit getuigschrift een deelbevoegdheid. In 1942 is deze bevoegdheid opgeheven.
  • In 1957 werd de akte NGy ingesteld. Deze akte gaf alleen bevoegdheid voor het geven van LO (zonder zwemmen) aan meisjes in het lager en middelbaar nijverheidsonderwijs. Deze eenjarige deeltijdopleiding, gerealiseerd in 600 studiebelastingsuren met daarbij nog een stage, werd aanvankelijk door vijf opleidingen gegeven en heeft tot 1980 bestaan.
  • In 1863 bij de 'Wet houdende regeling op het middelbaar onderwijs' werd lichamelijke oefening verplicht (mits niet storend!) op de HBS, niet op het gymnasium. Dat laatste heeft tot 1920 geduurd. Maar in het Olympisch jaar 1928 (Amsterdam) circuleerde een conceptbrief van de rectoren van middelbare scholen aan de minister van Onderwijs met het dringende advies gymnastiek te weren.
  • Over de samenstelling van de nogal eens berucht strenge LO- en MO-Examencommissie tijdens de Tweede Wereldoorlog is een bijzonderheid

    Bijzonderheid

    In Volk en Vaderland, de officiële spreekbuis van de Nationaal Socialistische Beweging (NSB), verscheen in 1943 een artikel met de titel ‘De lichamelijke opvoeding in verkeerde handen’. Daarin constateert het weekblad, dat inspecteurs en consulenten LO geen lid zijn van de NSB en dat ‘ieder begrip voor den nieuwen tijdgeest ontbreekt‘. Met als gevolg dat de lichamelijke opvoeding van onze jeugd ‘in volkomen verkeerde banen’ wordt geleid. Voorts wordt vastgesteld dat zich onder de leden van de examencommissie voor LO- en MO-lichamelijke oefening ‘zich slechts één nationaal socialist bevindt’. ‘Wat echter niet slechts verbazing, maar in de eerste plaats verontwaardiging wekt, is de benoeming van zekeren heer L.D.E.J. Kramer in bovengenoemde commissie. Want het is in vakkringen en ook daarbuiten algemeen bekend, dat deze heer tot de rasechte salon-communisten gerekend moet worden’. Kortom, de NSB is bitter gestemd over deze gang van zaken, waar ze kennelijk toch minder invloed op had dan ze wenste. Overigens was de heer Kramer (vader van de latere KVLO-voorzitter Peter Kramer) na de oorlog vice-voorzitter van de KVLO. (zie ook de vensters 1940 en 1941).
    te melden.

Literatuurverwijzingen

Externe links



Auteur: Mike Schouten en Kees van Tilborg