Canonlo

1976

1980

1982

‘Bewegingsarmoedig Onderwijs’

Overzicht verdiepingsteksten

Over de relatie tussen lichamelijke opvoeding en gezondheid

Alle stelsels van lichamelijke opvoeding besteedden aandacht aan menselijk bewegen in relatie tot gezondheidsaspecten. Gezondheid was een doel bij de vrije oefeningen in het Duitse stelsel en was zichtbaar in de Oostenrijkse School bij de normaliserende en vormende oefeningen. Maar met name het Zweedse stelsel had een sterk gezondheids- en heilgymnastisch karakter: de oefeningen moesten een anatomisch en/of fysiologisch nut moesten hebben. In de diverse stelsels varieerden de motieven: verhoging van weerbaarheid/fysieke conditie (kracht, lenigheid, snelheid en uithoudingsvermogen), ziektepreventie, esthetische idealen en voorkomen van houdings- en bewegingsafwijkingen. De ontwikkelingen in deze 'medische gymnastiek' leidden tot nieuwe interventiemogelijkheden en het ontstaan van verwante beroepen

verwante beroepen

Denk daarbij aan beroepen als fysiotherapeut, (vroeger heilgymnast en masseur), oefentherapeut, ergotherapeut, bewegingstherapeut, oefentherapeut Mensendieck en oefentherapeut Cesar.
(Kugel, 1977; Kramer en Lommen, 1987; Crum, 1988).
Met de nota Bewegingsarmoedig onderwijs

Bewegingsarmoedig onderwijs

De nota Bewegingsarmoedig onderwijs (1980) gaat over de verwaarlozing van lichaamsbeweging en lichamelijke opvoeding in het onderwijs, binnen een maatschappij die in toenemende mate gekenmerkt is door bewegingsarmoede, verkeerde voedingsgewoonten en steeds meer vrije tijd voor velen. De nota is tot stand gekomen uit een samenwerkingsverband van de KNVLO, Thomas van Aquino en medewerkers uit de gezondheidszorg. De commissie die verantwoordelijk was voor de feiten, overwegingen, visie en adviezen stond onder leiding van F. Wafelbakker (geneeskundig hoofdinspecteur).
In 1987 verscheen Bewegingsarmoedig onderwijs II. De vakwereld van de lichamelijke opvoeding en de medewerkers uit de gezondheidzorg trokken na zeven jaar opnieuw aan de bel omdat te weinig wezenlijke veranderingen hadden plaats gevonden.
(1980) laaide de discussie over het fysieke en gezondheidskundige rendement van lessen L.O. na lange tijd weer op. Als gevolg daarvan verschenen de eerste pleidooien en studies naar gerealiseerde effecten

pleidooien en studies naar gerealiseerde effecten

Ze werd in het rapport Lichamelijke Opvoeding van de Raad voor het Regeringsbeleid, ten behoeve van de basisvorming, een pleidooi gehouden voor effectgericht onderzoek en maatschappelijke verantwoording van het vakgebied lichamelijke opvoeding. Voor de relaties tussen en lichamelijke activiteit en gezondheidsaspecten werd in het beleidsrapport een empirische onderbouwing geleverd (Westerhof, R. en Loopstra, O. 1985).
In augustus 1988 gaf Bart Crum tijdens een lezing in Zweden een kritische beschouwing van het traditionele ‘ education-of-the.physical’ concept. In De gezondheidswaarde van bewegingsonderwijs – een hardnekkige mythe en een reële mogelijkheid zette hij niet alleen vraagtekens bij de claims met betrekking tot verbetering van de fysieke conditie door lichamelijke opvoeding maar schetste hij gelijktijdig de voorwaarden op grond waarvan het wel degelijk mogelijk is om lichamelijke opvoeding op een zinvolle wijze aan gezondheid te relateren.
in lessen lichamelijke opvoeding (Kramer en Lommen, 1987). Deze veronderstelde effecten zijn grofweg in twee stromingen te verdelen: met een nadruk op fitheid of op bewegen.

Fitheid
De les LO wordt soms geacht een bijdrage te leveren aan de fitheid, zoals een sportieve training dat kan doen. Fitheid wordt meestal gedefinieerd als het geheel van de motorische grondeigenschappen kracht, lenigheid, snelheid, coördinatie en uithoudingsvermogen. Binnen de les LO komt zo'n nadruk op fitheid bijvoorbeeld tot uitdrukking in circuit-oefenvormen en in het afnemen van fitheidstesten (al dan niet voor een cijfer) zoals Eurofit, Moper-fittest of FitnessGram.
In Nederland besteedde de overheid begin jaren zeventig voor het eerst aandacht aan sport als middel voor het stimuleren van fitheid in de bevolking. Overal in het land verschenen 'trimbanen' en de campagne 'Trim je Fit' leidde (mede) tot wat wel genoemd wordt de 'eerste loopgolf. Het thema fitheid werd ook onderwerp van onderzoek

fitheid werd ook onderwerp van onderzoek

In de tijdgeest van begin jaren zeventig startte in 1974 de Amsterdam Growth and Health Longitudinal Study om langdurig de groei, fitheid, gezondheid en leefstijl te volgen van jongens en meisjes die naar het voortgezet onderwijs gingen. Tevens werd een serie interventiestudies gestart om het effect te meten van meer intensieve en extra gymlessen op de fitheid van jongens van 12-13 jaar oud. Over het algemeen werden geen effecten gevonden (Kemper e.a., 1997).
.
Wanneer de nadruk binnen de lichamelijke opvoeding wordt gelegd op fitheid, wordt vaak gesuggereerd dat jeugd steeds minder snel, sterk, lenig enzovoorts is. Onderzoeksgegevens over een periode van ongeveer 30 jaar lijken deze trend te bevestigen (Collard e.a., 2010). Het is echter de vraag in hoeverre er een samenhang is tussen fitheid en gezondheid: hoewel bekend is dat een goed uithoudingsvermogen samenhangt met minder ziektekans, ligt zo'n verband veel minder voor de hand voor bijvoorbeeld coördinatie of lenigheid.

Bewegen
Het menselijk organisme is tijdens de evolutie geselecteerd op veel, veelzijdig en intensief bewegen

veelzijdig en intensief bewegen

Voor iedereen die is ingevoerd in het thema ‘lichamelijke opvoeding en gezondheid’ zou in deze paragraaf de term ‘fysieke activiteit’ wellicht een betere zijn dan 'bewegen'. Met ‘bewegen’ wordt in deze context immers niet bedoeld ‘energieverbruik door bewegen’. Bedoeld wordt dat het bij preventie van welvaartsziekten vooral gaat om het energieverbruik door regelmatige fysieke inspanning via het dagelijks bewegen. Om blijvende gezondheidseffecten te bereiken, gaat het namelijk - zo wordt steeds duidelijke uit onderzoek - echt om alle vormen van bewegen en dat is daadwerkelijk alles zolang je maar niet stil zit.
(Bult, 2011). Maar ondanks de gestegen levensverwachting bewegen mensen steeds minder ten gevolge van fysiek minder actieve vrijetijdsbesteding en de mechanisatie van verkeer, arbeidsprocessen, en werkzaamheden thuis. Van biologische evolutie in de vorm van wijziging van genetische eigenschappen kan niets verwacht worden omdat de technologische evolutie veel sneller is gegaan.
Lichamelijke inactiviteit vormt volgens de World Health Organisation inmiddels dan ook de vierde risicofactor voor sterfte als gevolg van leefstijlgerelateerde welvaartsziekten (Kemper, 2011), met alle kosten van dien. Dat accentueert de noodzaak van voortdurend onderzoek naar beïnvloedbare aspecten van gezondheid, hoe complex het begrip gezondheid ook is (Kemper, 2011). In afwachting van dat onderzoek heeft de toename van overgewicht onder jeugd de overtuiging doen postvatten dat jongeren moeten worden aangezet tot méér beweging en dat de school hierin een belangrijke rol kan spelen. Bijna alle jongeren zijn immers te bereiken via school. Daar kunnen interventies plaatsvinden en kan voorlichting gegeven worden over de bijdrage van bewegen aan een gezonde levensstijl (Bax, 2011). Met het leggen van accenten in de les L.O. kunnen in alle onderwijssoorten verschillende effecten worden gerealiseerd (Klein Lankhorst, 2011).
In de les lichamelijke opvoeding kan bewegingsstimulering op directe of indirecte wijze een rol spelen (Slingerland en Borghouts, 2011a). Direct wil zeggen dat de gymles zelf in kwantitatief opzicht bijdraagt aan de hoeveelheid beweging. In Nederland levert een gymles gemiddeld ongeveer 20 minuten matig-tot-intensieve fysieke activiteit, welke meetelt voor de 'beweegnorm' (Slingerland en Borghouts, 2011b). Indirect wil zeggen dat de Lichamelijke Opvoeding leerlingen stimuleert en motiveert om meer te bewegen buiten school. Helaas zijn er voor dit effect op buitenschools bewegen nauwelijks harde bewijzen uit wetenschappelijk onderzoek. Wel zijn er enkele studies die een bescheiden positief effect suggereren van meer gymlessen op specifieke gezondheidsparameters (Kriemler, 2011, Hasselstrøm, 2008).

Besluit
Helaas ontbreekt nog voldoende bewijs om met absolute zekerheid te kunnen zeggen dat de les L.O een substantiële bijdrage kan leveren aan de gezondheid van kinderen. Iedereen is het er echter wel over eens dat de lichamelijke opvoeding een sleutelpositie inneemt op school als het gaat om het stimuleren van bewegen.
De discussie over het 'bewegingsarmoedig onderwijs' zal echter eens in de zoveel tijd blijven opduiken. Zeker zolang de lesuren lichamelijke opvoeding een te bescheiden rol spelen in het totale volume van dagelijkse lichaamsbeweging, in tijd en energieverbruik (Dool, R van den e.a. 2011; Lucassen, J. e.a. 2011).

Suggesties voor doorstuderen

Literatuurverwijzingen

  • Commissie JGZ / LO, (1980) Bewegingsarmoedig onderwijs. Zeist: Jan Luiting Fonds (nr. 35), 74 p.
  • Commissie JGZ / LO, (1987) Bewegingsarmoedig onderwijs II. Zeist: Jan Luiting Fonds (nr. 48), 36 p.
  • Crum, B.J. (1988). De gezondheidswaarde van bewegingsonderwijs - een hardnekkige mythe en een mogelijkheid. In: Lichamelijke Opvoeding, 76e jaargang, nr. 16, p. 764-770.
  • Dool, R van den, e.a. (2011). School, Bewegen en Sport. Onderzoek naar de relaties tussen de school (omgeving) en het beweeg- en sportgedrag van leerlingen. Nieuwegein: Arko Sports media, 311 p.
  • Hasselstrøm, H. A., Karlsson, M. K. Hansen S. E., Grønfeldt, V. Froberg, K., Andersen, L. B. (2008). A 3-Year Physical Activity Intervention Program Increases the Gain in Bone Mineral and Bone Width in Prepubertal Girls but not Boys: The Prospective Copenhagen School Child Interventions Study (CoSCIS). Calcif Tissue Int; 83:243–250
  • Kemper HC, van Mechelen W, Post GB, Snel J, Twisk JW, van Lenthe FJ, Welten DC. (1997) The Amsterdam Growth and Health Study. The past (1976-1996) and future (1997-?). Int J Sports Med;18(Suppl 3):S140-50
  • Kramer, J.P. en Lommen, N. (1987). Geschiedenis van de lichamelijke opvoeding in Nederland. Zeist: Jan Luiting Fonds. P. 190-193.
  • Kriemler, S. e.a. (2010). Effect of schoolbased physical activity programme (KISS) on fitness and adiposity in primary schoolchildren: cluster randomised control trial. BMJ; 340:c2968
  • Kugel, J. (1977). Geschiedenis van de gymnastiek. Haarlem: De Vrieseborch, p. 87-88; 101-127; 155-162; 173-185.
  • Lucassen, J. e..a. (2011). Sport, Bewegen en Onderwijs: kansen voor de toekomst. Brede analyse 2010. 's-Hertogenbosch: Mulier Instituut, 134 p..
  • Slingerland, M., Borghouts, L.B. (2011a). Direct and Indirect Influence of Physical Education-based Interventions on Physical Activity: A Review. Journal of Physical Activity and Health; 8, 866-878.
  • Slingerland, M., Borghouts, L.B. (2011b) Physical Activity Levels during Dutch Primary and Secondary School Physical Education. European Journal of Sport Sciences, 11(4): 249-257.
  • Verhagen, E; Mechelen, W. van (2010). Health Issues as Primary Reasons for Choosing Sport for All Programs. 13th World Sport for All Congress. Jyvaskyla, Finland. 14-17th June 2010. Department of Public and Occupational Health, Emgo Institute for Health and Care Center, VU University Medical Center, Amsterdam, The Netherlands.
  • Wesselink, M. (2011). Lichamelijke inactiviteit in westerse wereld tweede doodsoorzaak. Matthijs Wesselink. Intreerede als hoogleraar Bewegingswetenschappen. Maastricht.

Externe Links



Auteur: Lars Borghouts en Roel Westerhof