Canonlo

1980

1982

1983

De gebruikswaarde van bewegingsonderwijs

Overzicht verdiepingsteksten

De bijdrage van Bart Crum aan de ontwikkeling van de lichamelijke opvoeding

De school heeft met betrekking tot 'lichamelijkheid en bewegen' voor alle jongeren een sleutel tot levenskansen. Deze gebruikswaarde moet worden bewezen en gelegitimeerd. Dat is de opdracht die Bart Crum (geboren 1939) zichzelf, als wetenschappelijk hoofdmedewerker aan de Interfaculteit Lichamelijke opvoeding van de Vrije Universiteit in Amsterdam, en zijn vakgenoten stelt. Het ontwerpen van een nieuwe, kritisch-constructieve basis voor de inhoudelijke en didactische legitimering van sport en bewegen in de school kenmerkt zijn hele oeuvre.

Gebruikswaarde
In 1974 zegt hij: 'De doelen van de lichamelijke opvoeding hebben veel gemeen met een tovenaarsdrank: mits op het juiste moment en goed gedoseerd geslikt, leidt het vak tot alles wat wenselijk is'. Dit gebrek aan doel-rationaliteit is zijn belangrijkste drijfveer om te pleiten voor op ratio gebaseerd onderwijskundig-didactisch denken en handelen.
Crum beschouwt zichzelf als leerling van Gordijn , wiens 'fundamentele bewegingsagogiek' (1975) hij typeert als een filosofische visie op de bewegende mens met het oog op agogisch handelen. In zijn dissertatie Aan sport georiënteerd bewegingsonderwijs in het spanningsveld van aanpassing en kritiek (1978) geeft hij zijn vertaling van de visie van Gordijn. De gebruikswaarde van het vak formuleert hij even later als: 'Het bewegingsonderwijs moet de leerlingen ervaringen aanbieden, waardoor zij zich die waarden, normen, kennis en vaardigheden eigen kunnen maken, die nodig zijn om in heden en toekomst met respect voor de ander en zichzelf deel te kunnen nemen aan (ontwikkeling van) lichaams- en bewegingscultuur. Het gaat niet om functionaliteit (het doen), maar om handelingsbekwaamheid die verworven wordt dankzij het aan de orde stellen van de technisch-instrumentele, de interpersonale en de reflexieve dimensie van het bewegen in onze samenleving' (1982).

Invloed
Gesteund door zijn actieve participatie in de Duitse vakliteratuur dwingt Crum de lerarenopleidingen lichamelijke opvoeding zich te bezinnen op een geconstateerde praktijkshock en een gebrek aan samenhang in het opleidingsprogramma (1983). Belangrijke noties zijn volgens hem: een gebrek aan beroepsidentiteit, vanuit de eigen bewegingsvaardigheid aandacht voor niet-getalenteerde bewegers, noodzaak van didactische practica en 'leren reflecteren'. Met de aanbeveling om in het opleidingsonderwijs tot co-educatie/co-instructie over te gaan, toont hij zich een voorloper.
Typerend voor Crum is dat hij de tekenen van zijn tijd steeds goed tracht te verstaan. Als 'overtuigd aanhanger en bepleiter van het kritisch-constructieve bewegingsocialisatieconcept' publiceert hij veel en kritisch over een breed spectrum van thema's rond sport en bewegen. Trendsettend zijn publicaties over vakconcepten (2011) en aspecten van (school)vakidentiteit, maar ook meer sportsociologisch georiënteerde beschouwingen. Het boekje Over versporting van de samenleving (2001) is opvallend. Daarin beschrijft Crum dat door een verandering in waardeoriëntatie, levensgevoel en leefstijl een culturele opwaardering van sport heeft plaatsgevonden (die zich onder meer in spreektaal en kleding vertaald ziet), maar ook de oorspronkelijke betekenis van sport is veranderd. Aan deze publicatie wordt vaak gerefereerd.

Integratie van beleid
Als adviseur van de Commissie Van Doorn slaat Crum in 1986 zijn slag. De staatssecretaris van WVC stelt deze commissie in om het sportbeleid van WVC en het onderwijsbeleid van O&W met elkaar te verbinden. Crum is hoofdauteur en bepleit integratie. De traditionele vakopvattingen in de lichamelijke opvoeding overheersen en dus wordt er te weinig maatschappelijk relevant geleerd, de legitimatie van het vak is te beperkt en er moet meer aandacht zijn voor longitudinale leerplanontwikkeling. De vakwereld betoont instemming, maar vanuit met name O&W wordt terughoudend gereageerd.
Met name op het gebied van leerplanontwikkeling en legitimatie is er sindsdien een hoop verbeterd. Nu zeggen we: 'bewegen is een leervak' en leren doe je voor het leven, niet voor een sport; persoonlijke bewegingsontwikkeling en leren deelnemen aan de sport- en/of bewegingscultuur kunnen twee kanten van dezelfde medaille zijn en de relatie tussen bewegen binnen en buiten de school komt beide levensdomeinen ten goede.

Buitenland
Internationaal

internationaal

Zoals op elk maatschappelijk domein zijn er niet alleen nationaal maar ook internationaal een aantal toonaangevende organisaties. Op het gebied van bewegen en sport kan gedacht worden aan de non-gouvernementele ICHPER, aan FIEP (Federation Internatinale d’Eduction Physique) en aan AIESEP (International Association Physical Education in Higher Education).

Vanuit Nederland wordt daarin wel of niet op niveau geparticipeerd. Zonder overdrijving kan worden gesteld dat de voorlaatste internationaal gezaghebbende Nederlandse vertegenwoordiger prof. K. Rijsdorp (1911-1990) was. Deze positie heeft Crum in feite van hem overgenomen, zowel als lid van (congres)organisatiecommissies, als auteur en als spreker op internationale congressen. Het plagerijtje van Rijsdorp als opponent bij de verdediging van zijn proefschrift dat Crum teveel op de Noord-Duitse literatuur georiënteerd zou zijn, was op dat moment al discutabel, maar is in zijn verdere levensloop absoluut onjuist. Ook participeerde Crum in de bekende Pre-Olympic Scientific Congresses. Hij was redactielid van het Duitse Tijdschrift Sportpedägogik, maar trad ook op als adviseur van sport- en LO- organisaties in onder andere Argentinië, Noorwegen, Finland, Japan, Indonesië, België, Canada, Israël, Duitsland, Spanje, Zweden en Finland. Voor de redactie van het tijdschrift Lichamelijke Opvoeding deed hij zeer regelmatig verslag in de rubriek ‘Global village’.
is Crum een veelgevraagd en erkend spreker en scribent op basis van persoonlijke eruditie en denkkracht. Helaas ontbeert hij een stimulerende (universitaire) werkomgeving en ontbreekt in Nederland het academisch debat over voor de lichamelijke opvoeding belangrijke onderwerpen. Dat laatste ligt zeker niet aan Crum, want die zoekt dat debat doorlopend.

Het totale oeuvre van Crum omvat meer dan 250 publicaties.
Tijdens een speciaal voor hem georganiseerd symposium ter gelegenheid van het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd wordt hij benoemd tot erelid van de KVLO.

Literatuurverwijzingen

  • Crum, B.J. (1974). Doelstellingen van het bewegingsonderwijs, Twentse studiedagen.
  • Crum, B.J. (red.) (1975). Bewegen is leven. Baarn: Bosch & Keuning.
  • Crum, B.J. (1978). Aan sport geörienteerd bewegingsonderwijs in het spanningsveld van aanpassing en kritiek. Haarlem: De Vrieseborch.
  • Crum, B.J. (1982). Over de gebruikswaarde van bewegingsonderwijs. In: Bewegen op school en wat daarna. Den Bosch: NKS.
  • Crum, B.J. et al. (1983). Terugkijken op de ALO. Amsterdam: VU Amsterdam.
  • Commissie Sport en Lichamelijke Opvoeding (1986). Naar een geintegreerd beleid voor lichamelijke opvoeding en sport. Rijswijk: WVC.
  • Crum, B.J. (1991, 3e druk 2001). Over de versporting van de samenleving – reflecties over bewegingsculturele ontwikkelingen met het oog op sportbeleid. Rijswijk: Ministerie van VWS.
  • Bottenburg, M. van (2002). 'Op de drempel van een vrijetijdsmaatschappij. Recreatie- en sportbeleid 1965-1982'. In: Haan, I. de en Duyvendak, J.W. (red.), In het hart van de verzorgingsstaat. Het ministerie van Maatschappelijk Werk en zijn opvolgers (CRM, WVC, VWS), 1952-2002. Zutphen: Walburg Pers, pp. 152-173.
  • Crum, B.J. (2011). 'Vakconcepten: belang en kritische bespreking'. In: Stegeman, H., Brouwer, B. en Mooij, C. (red.). Onderwijs in bewegen. Tweede druk. Houten: Bohn Stafleu van Loghum.


Auteur: Bram Donkers