Canonlo

2001

2005

2006

GYM MOET

KVLO op de bres voor haar leden en voor de positie van de lichamelijke opvoeding

Van beroepsorganisatie naar vakvereniging
De in 1862 opgerichte Vereeniging van Onderwijzers in de Gymnastiek behartigde aanvankelijk vooral de belangen van het beroep van de aangesloten leden. De vereniging streefde naar eenheid in het programma, het invoeren van gymnastiek als verplicht leervak en het verbeteren van de opleidingen. Om dat te bereiken richtten het bestuur en afdelingsbesturen zich met brieven, adressen en rekwesten tot gemeenten, ministeries en tal van andere instanties. Het bestuur werd daarbij voor de theoretisch-wetenschappelijke onderbouwing geholpen door medici als Douwe Lubach en Gerard Allebé.

Na 1900 werd de organisatie regelmatig aangepast en kwam ook een accent te liggen op salaris- en rechtspositie. De ‘beroepsvereniging’ kreeg daardoor geleidelijk steeds meer kenmerken van een vakbond. In de jaren dertig werd prioriteit gegeven aan tal van zaken die landelijk speelden

Zaken die landelijk speelden

Voorbeelden daarvan zijn het examenprogramma, de leerplannen, de gelijkberechtiging van salarissen, de schoolexamens, alsmede de keuze voor een 3- of 4 jarige opleiding.
. Maar als gevolg van de steeds slechtere conjunctuur ging het, ondanks bestuurlijke acties en rapporten, ronduit slecht met de vakvereniging

Ronduit slecht met de vakvereniging

De positie van de vakvereniging verslechterde als gevolg van het verlagen van de salarissen, het afschaffen c.q. verminderen van vakonderwijs, het combineren van klassen en andere reorganisaties. De werkeloosheid steeg, de inspectie werd opgeheven en het aantal leden liep sterk terug.
.

Vanaf WOII nam de maatschappelijke waardering voor de lichamelijke opvoeding toe. In 1941 werd een groot aantal consulenten aangesteld en werd lichamelijke oefening daadwerkelijk verplicht in het lager onderwijs. Ook de lichamelijke opvoeding profiteerde van de economische groei en uiteindelijk werd gelijkberechtiging van de docent en het vak bereikt.

Succesvolle landelijke acties en protesten
Gelijkberechtiging en kwalitatief hoogwaardige lessen zijn echter niet voldoende om een permanent breed maatschappelijk draagvlak

Breed maatschappelijk draagvlak

Om met succes actie te kunnen voeren, is het goed veel medestanders te hebben die het belang van het vak inzien. Nog beter is het als niet-vakgenoten zich opwerpen voor behoud van het vak. Te denken valt hierbij aan jeugdartsen, schoolartsen, schooldirecties, ouderorganisaties, beleidsmakers, bewegingswetenschappers, topsporters en sportorganisaties, en natuurlijk bewindslieden en leden van de Tweede en Eerste Kamer.
te garanderen. De KVLO moest regelmatig in actie komen als de lichamelijke opvoeding bij onderwijshervormingen bedreigd werd. Het ging dan onder meer om het aantal lessen, de minimumlessentabel, de gelijkstelling van salarissen, de sportvelden, de zwemlessen en de aanstelling van vakleerkrachten in het basisonderwijs.

In 1983 en 2005, en in mindere mate in 1994

1994

In het regeerakkoord in 1994 van het paarse kabinet stond dat de regering anderhalf miljard gulden wilde bezuinigen op de onderwijsbegroting. Een miljard zou van de studiefinanciering worden gehaald en een half miljard bij de instellingen voor hoger onderwijs. De studenten waren ‘paars van woede’ en organiseerden landelijke acties ‘voor leefbaar onderwijs’ waaraan ook de studenten van de ALO’s deelnamen. Vanzelfsprekend was de minister van Onderwijs, Jo Ritzen, voor de studenten de gebeten hond.
, werden grote landelijke acties gehouden voor behoud van het vak. In 1983 dreigden zware onderwijsbezuinigingsmaatregelen van minister W.J. Deetman. Één van de beoogde maatregelen was de ‘gefaseerde afschaffing van het vak LO in het vijfde leerjaar havo, het vijfde en zesde leerjaar vwo en in het mbo’. In 2005 moest de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, M. van der Hoeven, ervan overtuigd worden dat het wettelijk voorgeschreven aantal uren lichamelijke opvoeding in het voortgezet onderwijs niet mocht verdwijnen. In beide gevallen mobiliseerde de KVLO - in samenwerking met ALO’s en andere vakorganisaties en contacten - de hele vakwereld om een krachtig protest te laten klinken. Het bleef daarbij niet bij gesprekken, brieven, handtekeningenacties, petities en interviews in de media; de vakwereld demonstreerde tot op het Binnenhof, op 9 maart 1983 en 14 september 2005.

De rechtspositie van de leden
De KVLO richt zich uitdrukkelijk niet alleen op de kwaliteit, de omvang en de positie van het vak, maar ook op de rechtspositie van haar leden. De rol van de vakorganisatie is hier tweeërlei: ze behartigt de belangen van haar leden op individueel en op collectief niveau.

Individuele belangenbehartiging
De KVLO beschikt ten behoeve van het beantwoorden van vragen van individuele leden over een uitgebreide juridische afdeling. Deze staat klaar voor vragen over of behoefte aan individuele bijstand op het gebied van arbeid en inkomen. Er worden zowel ‘kleine’ vragen als ingewikkelde ontslagprocedures behandeld. De kwesties waarmee de juridische afdeling zoal te maken krijgt, verschillen per periode. Zo spelen aan het einde van het schooljaar vooral de gevolgen van de formatieplannen op de beoogde bezetting. Maar denk ook aan de grote behoefte aan informatie bij de totstandkoming en implementatie van een nieuwe cao. Door het hele jaar heen is er daarnaast behoefte aan informatie en bijstand bij o.a. conflicten op de werkvloer. De juridische afdeling informeert de leden niet alleen per mail of telefonisch, maar licht ze ook proactief in over hun rechten. Dit gebeurt onder andere op landelijke studiedagen en op door de KVLO zelf georganiseerde bijeenkomsten (bijvoorbeeld startersbijeenkomsten en netwerkbijeenkomsten).

Collectieve belangenbehartiging
Voor het behartigen van de belangen op collectief niveau is de vereniging aangesloten bij de Federatie van Onderwijsvakorganisaties (FvOv). Via de FvOv onderhandelt de KVLO over de onderwijscao’s. In de praktijk betekent dit dat vertegenwoordigers van de FvOv (en daarmee de KVLO) aan tafel zitten met andere vakbonden en werkgeverspartijen zoals de VO- en de PO-raad. Als werknemersorganisatie strijdt de KVLO aan die onderhandelingstafel voor zo gunstig mogelijke arbeidsvoorwaarden voor haar leden. Voordat een nieuwe cao totstandkomt, worden de leden eerst over het onderhandelaarsresultaat geïnformeerd. Vervolgens wordt het onderhandelaarsresultaat via een ledenraadpleging voorgelegd aan de leden.

De juridische afdeling van de KVLO is te bereiken via de website, via de e-mail (juristen@kvlo.nl) en via de telefoon (030-6937678).        

Literatuurverwijzingen

  • Kramer. J.P. (1971). De zin van de vakorganisatie. Lichamelijke Opvoeding (59e), p. 859.
  • Lichamelijke Opvoeding (1983), de nummers 3 t/m 5.
  • Lichamelijke Opvoeding (2005), de nummers 6 t/m 11. 
  • Kramer, J.P. en Lommen, N. (1987). Geschiedenis van de lichamelijke opvoeding in Nederland. Zeist: Jan Luiting Fonds, p. 201-243.
  • Swijtink, A.H. (1992). In de pas. Sport en lichamelijke opvoeding in Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog. Haarlem: De Vrieseborch, 430 p.
  • Tilborg, K. van (2000). Sedimenten van sentimenten. Tilburg: Academie voor Lichamelijke Opvoeding, Deel I, p. 31-34; Deel II, p. 14-16; Deel III, 16-19.

Externe links

  • FvOv (Federatie van Onderwijsvakorganisaties)
  • VO-raad (sectororganisatie voortgezet onderwijs)
  • PO-raad (sectororganisatie voor het primair onderwijs)


Auteur: Maarten Segers en Kees van Tilborg