Canonlo

1982

1983

1985

‘Over bewegen en bewegingsonderwijs’

Overzicht verdiepingsteksten

De bijdrage van Oene Loopstra, voorzitter van de KVLO (1988-2001), aan de ontwikkeling van de lichamelijke opvoeding.

De theorievorming in de lichamelijke opvoeding wordt in de periode direct na de Tweede Wereldoorlog gedomineerd door drie grote denkers: K. Rijsdorp, G. Groenman en C.C.F.Gordijn. Hoewel de opvattingen van deze coryfeeën van de naoorlogse lichamelijke opvoeding zeer verschillend zijn, hebben zij gemeen dat zij afstand nemen van een louter biologische benaderingswijze in de theorievorming van de lichamelijke opvoeding. Hun werk is sterk wijsgerig en antropologisch van aard.
Het zijn de opvolgers van deze inspiratoren van de lichamelijke opvoeding die gezocht hebben naar een praktische vertaling van de 'Bildungstheoretische

Bildungstheoretische

Stegeman(2001) en Meinberg vatten de praktische vertaling als volgt samen:
  • de onderwijspraktijk wordt onvoldoende door de Bildungstheoretische didactiek geïnspireerd en krijgt onvoldoende handvatten aangereikt, met de beruchte theorie-praktijkkloof als gevolg;
  • het ontbreekt de Bildungstheoretische concepten aan de nodige realiteitszin, ze zijn te idealistisch, de concrete problemen in de onderwijspraktijk worden niet gezien;
  • de achterliggende antropologie richt zich op tijdloze componenten, beroept zich op een ‘unvergängliche Natur des Menschen und der Leibeserziehung’;
  • de ontwerpen zijn onvoldoende maatschappijbetrokken, ze zijn blind voor de maatschappelijke verhoudingen;
  • er is sprake van een functionele Bildungsopvatting: uitgangsstelling is dat het doen van de lichaamsoefening de veronderstelde vormingseffecten automatisch oproept;
  • de onderzoeksmethoden zijn die van de hermeneutiek en de fenomenologie; daarmee wordt het bestaande gelegitimeerd en de heersende ideologie geaccepteerd.
' opvattingen van hun leermeesters. In navolging van de ontwikkelingen in West-Duitsland wordt met betrekking tot deze tweede generatie lichamelijke opvoeders wel gesproken van een 'Realistische Wende'. In Nederland wordt deze ontwikkeling vanuit verschillende kanten ingezet. Met name vanuit de Interfaculteit Lichamelijke Opvoeding

de Interfaculteit Lichamelijke Opvoeding

Met name B.J. Crum en H. Stegeman hebben de discussies in de Duitse vakbladen vertaald naar de Nederlandse situatie. Studenten uit die tijd (1970-1980) hebben veel invloed gehad op de ontwikkeling van de vakdidactiek daarna. Enkele namen: P. Meerdink, J.W.I. Tamboer, B.J. Siemes, B. Brouwer, A. Donkers, B. Zandstra en G. van Driel. Een andere belangrijke invloed kwam uit Groningen, waar enerzijds afgestudeerde onderwijskundigen sterk de nadruk legden op het meetbaar maken van onderwijsresultaten (J. Beenen, R. Westerhof en O. Loopstra) en waar anderzijds A. Broeke en K. Faber met het BOK-project vooral de nadruk legden op de emancipatorische kansen binnen het bewegingsonderwijs.
is sprake van een sterke beïnvloeding die gevoed wordt door de ontwikkelingen in de West-Duitse vakdidactiek.

Van betekenisanalyse tot betekenisgebieden
Een belangrijke exponent van deze tweede generatie theorieontwikkelaars in de LO is Oene Loopstra. Hij wordt in 1974 aangesteld als docent didactiek op de CALO in Arnhem.
Onder leiding van adjunct-directeur P. Meerdink werkt een groep opleidingsdocenten daar samen in een werkgroep 'didactiek methodiek' aan een vernieuwde theorie van het bewegingsonderwijs. Zo wordt geprobeerd om de wijsgerige uitgangspunten van de theorie van het bewegingsonderwijs van Gordijn te verbinden met de opkomende wetenschappelijk opvattingen over een didactiek van bewegingsonderwijs. Onder meer het model van didactische analyse van Van Gelder is daarbij sturend geweest. In 't Web formuleert J.W.I. Tamboer deze zoektocht als volgt: 'Als het bewegingsonderwijs bedoelt het door de persoon doen opbouwen van een voor hem optimale dialoog met de motorische tegenwereld, dan luidt vervolgens de vraag welke motorische tegenwereld?'. Door een betekenisanalyse van de bestaande sport- en bewegingscultuur worden bewegingssituaties gedeconstrueerd en opnieuw samengevoegd. Centraal in deze theorie staat de gedachte dat bewegings- en sportsituaties, zoals deze voorkomen in de bewegingscultuur, verzameld kunnen worden in betekenisgebieden. Door Loopstra is deze theorie van de betekenisgebieden beschreven en gepubliceerd in zijn boek Over bewegen en bewegingsonderwijs (1983).
Dit denken in bewegingsgebieden, met als kenmerk een overeenkomstig bewegingsprobleem, heeft veel invloed gehad op de theorieontwikkeling van de lichamelijke opvoeding in de daaropvolgende jaren. De door Loopstra gepubliceerde opvatting over bewegingsonderwijs wordt wel aangeduid als 'de Arnhemse school'.

Voorzitter van de KVLO
In 1987 verlaat Loopstra de CALO. Hij volgt J.P. Kramer op als voorzitter van de KVLO en als rector van de Haagse Academie voor Lichamelijke Opvoeding (HALO).
Als voorzitter van de KVLO probeert hij de in Arnhem ingezette richting van denken te vertalen naar het beleid van de vakvereniging. Zijn onderwijskundige en rationele benadering heeft grote gevolgen voor het denken over de kwaliteit van lichamelijke opvoeding.
Enkele belangrijke ontwikkelingen in zijn periode van voorzitterschap zijn:
  • de vertaling van de onderwijskundige principes van de 'Arnhemse school' in een algemeen basisdocument voor het basisonderwijs;
  • het benadrukken van het belang van de kwaliteit van de leraar lichamelijke opvoeding door de ontwikkeling van een beroepsprofiel;
  • de toenadering tussen de wereld van de sport en de lichamelijke opvoeding door het stimuleren van schoolsport;
  • het analyseren van de bewegingsarmoedige samenleving en de verantwoordelijkheid van de LO;
  • het streven naar wetenschappelijke bestudering van de lichamelijke opvoeding.

Literatuurverwijzingen

  • Gordijn, C.C.F. (1968). Inleiding tot het Bewegingsonderwijs. Baarn: Bosch & Keuning, p. 171.
  • Kramer, J.P. & Lommen, N. (1987). Geschiedenis van de Lichamelijke Opvoeding. Zeist: Jan Luiting Fonds, p. 155-160.
  • Loopstra, O. (1983). Over bewegen en bewegingsonderwijs. Baarn: Bekadidact, p. 119.
  • Loopstra, O. & Westerhof, R. (1984). Beweegredenen. Zeist: Jan Luiting Fonds, p. 31.
  • Stegeman, H. (2001). Bewegingsonderwijs, belang en bedoeling. Zeist: Jan Luiting Fonds, p. 140.
  • Pijning, H.F. (1983). Motoriek en leren. Groningen: Wolters-Noordhoff, p. 167.
  • Crum, B. & Donkers, A. (1989). Bewegingsonderwijs in verandering. Baarn: Bekadidact, p. 111.
  • Tamboer, J.W.I. (1973). Op weg naar een didactiek voor bewegingsonderwijs. Doctoraalscriptie. Amsterdam: Vrije Universiteit.


Auteur: Gert van Driel