Canonlo

1985

1986

1993

Naar een geïntegreerd beleid voor lichamelijke opvoeding en sport

Overzicht verdiepingsteksten

De veranderende relatie tussen lichamelijke opvoeding en sport

De minister van OCW en de staatssecretaris van WVC stellen in 1985 de commissie 'Sport en lichamelijke opvoeding' in. Hierin zijn behalve de beide ministeries ook de beide organisaties van leraren lichamelijke opvoeding (KNVLO en Thomas van Aquino) en de Nederlandse Sport Federatie (NSF) vertegenwoordigd; J.W.M. van Doorn is voorzitter, B.J. Crum is als extern deskundige toegevoegd. De commissie heeft tot taak te adviseren over de, op dat moment allesbehalve gemakkelijke, relatie tussen sport en lichamelijke opvoeding en over het door de rijksoverheid op dat vlak te voeren beleid.
De Commissie Van Doorn, met Bart Crum als penvoerder, rapporteert in 1986. Ze stelt vast dat de communicatie en samenwerking tussen LO-organisaties en sportorganisaties wordt geremd door onderling wantrouwen en territoriumconflicten. De sport verwijt de lichamelijke opvoeding onder meer dat zij te weinig gericht is op introductie van leerlingen in 'echte' sport. Omgekeerd wijst de lichamelijke opvoeding op het tekortschietende pedagogische klimaat van de georganiseerde sport.
De commissie ziet als belangrijke oorzaken van de relatieproblemen de oorsprong van de lichamelijke opvoeding in het turnen en de gymnastiek en de, wat zij noemt, 'pedagogisering onder invloed van vormingstheoretische opvattingen'. Met dat laatste wordt bedoeld dat het noodzakelijke evenwicht tussen het ontplooiingsaspect, de persoonlijkheidsvorming enerzijds en het toerustingsaspect, de voorbereiding op maatschappelijk functioneren anderzijds, was verbroken ten gunste van ontplooiing. De lichamelijke opvoeding heeft te weinig aandacht voor overwegingen met betrekking tot de toerustingstaak. Daardoor komt zij in een 'pedagogische provincie' terecht, zonder duidelijke verbindingslijnen naar buiten.
De commissie komt uiteindelijk met een serie beleidsaanbevelingen voor de ministeries van OCW en WVC – en 'over de band' van die ministeries ook voor de organisaties en instellingen van lichamelijke opvoeding en sport. Ze zijn onder meer gericht op het realiseren van meer samenhang in het beleid van de overheid met betrekking tot lichamelijke opvoeding en sport, en op meer samenwerking tussen de organisaties voor lichamelijke opvoeding en sport. De rijksoverheid dient haar beleid af te stemmen op bevordering van lichamelijke opvoeding die gekenmerkt wordt als een onderwijsleeractiviteit gericht op persoonlijke ontplooiing ('opvoeding door sport') en maatschappelijke toerusting ('opvoeding tot sport').
De bewindslieden van OCW en VWS deponeren het rapport van de 'Commissie Van Doorn' na ontvangst in een diepe la, vanwege 'geen geld'. Want het land verkeert in een economische crisis, het is geen tijd voor mooie dingen.

Anno 2012 mogen we niettemin concluderen dat veel van de suggesties en aanbevelingen van de Commissie Van Doorn gaandeweg in concreet beleid zijn vertaald.
Daarvan getuigt bijvoorbeeld het sinds 2010 van kracht zijnde Beroepsprofiel leraar bewegen & sport. Waar in het uit 1994 daterende beroepscompetentieprofiel staat dat de leraar contacten moet onderhouden met gemeente en sportorganisaties ten behoeve van het schoolsportprogramma, zegt het huidige beroepsprofiel dat de leraar op basis van het vakwerkplanmoet samenwerken met de lokale sport.
De overheid krijgt aan het eind van de twintigste eeuw oog voor de maatschappelijke betekenis van sport en bewegen. En dat leidt tot een reeks van beleidsinitiatieven die (mede) zijn gericht op een verdere versterking van de samenwerking tussen school en sport (2011), de Impuls Brede scholen, sport en cultuur (2008), het Beleidskader Sport, Bewegen en Onderwijs, School en Sport (2008) en het Olympisch Plan (2009).
De onlangs door de SLO, de gezamenlijke ALO's en de KVLO gepubliceerde visie op de toekomst van de lichamelijke opvoeding (Werkgroep Toekomstvisie LO, 2011) lezend, kan geconcludeerd worden dat er van de in 1986 nog zo manifeste relatieproblemen tussen de lichamelijke opvoeding en de sport niet veel meer over is: 'sport mag en is goed'.

Suggesties voor doorstuderen

Literatuurverwijzingen

  • Crum, B.J. (1978). Aan sport georienteerd bewegingsonderwijs – in het spanningsveld van aanpassing en kritiek. Haarlem: De Vrieseborch.
  • Lucassen, J., Wisse, E., Smits, F., Beth, J. en Werff, H. van der (2011). Sport, Bewegen en Onderwijs: kansen voor de toekomst. Brede Analyse 2010. Den Bosch: W.J.H. Mulier Instituut.
  • Ministerie van VWS (2008). Beleidskader Sport, bewegen en onderwijs. Den Haag: VWS.
  • Stokvis, R. De school en de ontwikkeling van de sport- en spelbeweging in Nederland, in: D'hoker, M. & Tolleneer, J. (red.) (1995). Het vergeten lichaam: geschiedenis van de lichamelijke opvoeding in Belgie en Nederland. Leuven: Garant.
  • Timmers, E. (2009). De ontwikkeling van het (beter) leren bewegen en sporten op school van 1970 tot 2010. Nieuwegein: Arko Sports Media.
  • Werkgroep Toekomstvisie LO (2011). Human movement and sports. Een blik in de toekomst van lichamelijke opvoeding/bewegingsonderwijs en sport op school. Enschede: SLO.

Externe links



Auteur: Harry Stegeman