Canonlo

1871

1879

1886

De eerste voetbalclub: de Haarlemsche Football Club

Overzicht verdiepingsteksten

De spel- en sportbeweging en haar invloed op de lichamelijke opvoeding

Pim Mulier wordt beschouwd als één van de pioniers van de sport in Nederland. In 1879 of 1880

In 1879 of 1880

Daniël Rewijk schrijft dat de oprichtingsdatum (1879) van HFC niet bewezen kan worden. Het derde lustrum van de vereniging is gevierd in 1895, wat de datum van oprichting in 1880 plaatst. Waarschijnlijk is geen formele oprichting aan te wijzen is omdat het begin van het voetbalspel in Nederland zeer informeel was. Wel zijn tussen 1878 en 1880 de eerste cricketclubs in Haarlem ontstaan. HFC kan best ontstaan zijn als subafdeling van een cricketclub.
Die datum van 1879 is waarschijnlijk achteraf gekozen, met als bedoeling Haarlem/Mulier de oudste rechten te geven wat betreft het voetbal in Nederland. Toen HFC in 1879 zou zijn opgericht stond Mulier zelf ingeschreven op de zogenaamde Fransche school (het Instituut Spaanschweerd) in Brummen, maar hij heeft zijn verblijf daar aan die school altijd heeft verzwegen.

Literatuur: Rewijk, D. (2015). Captain van Jong Holland. Een biografie van Pim Mulier 1865-1954. Gorredijk: Bornmeer 384 p.
richtte hij met enkele vrienden de Haarlemsche Football Club (HFC) op, de eerste voetbalvereniging in Nederland. Dat gebeurde in een tijd dat de sport zich vanuit Engeland verbreidde over het vasteland

verbreidde over het vasteland

Aanvankelijk waren het met name jongens en mannen uit academische milieus die voor het eerst kennismaakten met de uit Engeland afkomstige sportspelen. Deze nieuwe configuratie van ludiek-agonale bewegingsactiviteiten kwam in die tijd tegemoet aan de prestatiebehoefte en wedijver van de geëmancipeerde en welgestelde burgerij. Het paste ook bij een liberale en zelfbewuste burgerij die zich ook in haar sportbeoefening wenste te onderscheiden van de klasse der arbeiders. De idealen van de uit Engeland afkomstige sportspelen laten zich het beste kenmerken door de termen 'vorming van karakter, teamgeest en dapperheid'. Daarnaast gaven atletiek en sportspelen de mogelijkheid om jongens op te voeden tot 'gentleman', zouden ze over een gehard lichaam beschikken en zou de jeugd door sport niet in de verleiding komen van gokken, drank en ontucht.
en als verschijnsel steeds meer in de belangstelling stond van wetenschappers en opvoeders.

Aanvankelijk veel weerstand
In die periode was er in het gymnastiekonderwijs nauwelijks aandacht voor spel en sport. Door gebrek aan financiën waren de gymnastieklokalen matig ingericht en was spelen vrijwel onmogelijk door de groepsgrootte. Daarnaast was 'de-man-voor-de-klas' meer geïnteresseerd in orde en regelmaat dan in het 'vrije' spelen. De sport ondervond in Nederland bovendien veel weerstand

veel weerstand

De sportbeweging ondervond ook weerstand vanuit orthodox socialistische kring, vanwege het feit dat de sport door de leiders van de arbeidsbeweging gezien werd als een product van een liberaalburgerlijk kapitalistische maatschappij. Vanuit christelijke kring werd gewezen op de morele gevaren van het verschijnsel sport. Het waren niet zozeer de vrije spelen waar verzet tegen kwam. Het verzet was vooral gericht tegen de begeleidende verschijnselen van de sport, zoals de overdrijving, de sportverdwazing, de recordjacht en de overdreven lichaamscultus.
uit de hoek van gymnastiekleraren en turnmeesters, die tot dan toe vooral aanhangers waren van het Duits-Nederlandse schoolturnen en de Zweedse gymnastiek. Men sprak in dit verband ook wel van de 'Engelse ziekte'.

Opkomst en verspreiding
Pas vanaf het einde van de negentiende eeuw kreeg spel, mede op aandrang van het ministerie

aandrang van het ministerie

De druk vanuit het ministerie geschiedde in navolging van Duitsland, waar ook vanuit de overheid werd aangedrongen op meer aandacht voor spel (de zogenaamde ‘Gosslerschen Spielerlaβ’ van 27 oktober 1882).
, toch een plaats in de Nederlandse schoolgymnastiek. Voorvechters waren de Rotterdamse gymnastiekonderwijzer S. van Aken en de oud-inspecteur van het Militair Onderwijs, generaal J. van Dam van Isselt. Deze laatste benadrukte de vele voordelen van openluchtspelen

voordelen van openluchtspelen

In 1913 verscheen van J. van Dam van Isselt het boekje De waarde en de beteekenis der Openluchtspelen tegenover de Toestellenoefeningen der Gymnastiek. Hierin pleitte hij voor het afschaffen en verwijderen van turnapparatuur. De voordelen die Van Dam van Isselt toekende aan de openluchtspelen ten opzichte van gymnastiek waren:
  • dure gymnastieklokalen konden worden afgeschaft (bovendien was oefenen in de frisse buitenlucht gezonder);
  • bij spel werden de leerlingen veel alzijdiger geoefend dan bij gymnastiek;
  • bij spel werden de geestelijke vermogens meer geoefend dan bij gymnastiek, omdat bij het spel de leerling voor steeds wisselende situaties werd gesteld en bij gymnastiek, tot dan toe te karakteriseren als de Duits-Nederlandse schoolgymnastiek, was met name sprake van kopieerwerk.
en wilde spel volledig in plaats van gymnastiek stellen. Vooralsnog bestond spel op school vooral uit de 'klein-terreinspelen (kastie, slagbal, rounders, keepers, veldbal) en de 'groot-terreinspelen' (veldspelen zoals hockey, en voetbal voor jongens).

In de eerste helft van de twintigste eeuw groeide de sport in Nederland spectaculair. Als gevolg van de oprichting van clubs en bonden, lezingen, cursussen en publicaties

publicaties

Publicaties die decennia lang werden aanbevolen door de opleidingen waren de deeltjes van Ons speeluur, uitgegeven onder verantwoordelijkheid van de Technische Commissie van den Nederlandschen Bond voor Lichamelijke opvoeding door uitgeverij Wolters uit Groningen/Den Haag.
verwierf spel en sport langzaam een plaats in de school. Dat was mede het gevolg van de aanpassing van de examenreglementen (1917) voor de opleidingen, en de opkomst van kindvriendelijke systemen als de Haagse Kweekschool en de Oostenrijkse School. Sport werd - zoals gekarakteriseerd in Homo Ludens (J. Huizinga, 1938) - een verschijnsel 'sui generis'

een verschijnsel 'sui generis'

Hiermee werd bedoeld dat sport geen vanzelfsprekende plaats meer innam in het gemeenschapsleven, maar dat sport zich daarnaast ontwikkelde; apart ervan. Dit werd veroorzaakt door de vorming van speciale sportorganisaties, waarbinnen serieus en systematisch getraind werd om zo goed mogelijk te worden. Een en ander is te vinden in ‘Homo Ludens’ (latijn voor 'spelende mens'), geschreven door de Nederlandse historicus Johan Huizinga (1872-1945). Het boek gaat over het belang van het spe(e)lelement van cultuur en samenleving. Het spel zou volgens Huizinga een noodzakelijke voorwaarde zijn voor het voortbrengen van cultuur.
.

Popularisering binnen en buiten de school
Ondanks de stimulans van de Olympische Spelen van 1928 in Amsterdam bleef tijdens het Interbellum de spanning tussen 'de' lichamelijke opvoeding en 'de' sport merkbaar. Pas vanaf WO II wonnen de sportspelen snel aan populariteit en werd de Noord-Amerikaanse invloed op het sportaanbod

Noord-Amerikaanse invloed op het sportaanbod

Van Bottenburg (1995) beschreef in zijn tekst ‘Verbreiding en onderscheiding’ de ontwikkeling van de sport in Nederland vanaf 1880 tot heden. De door hem genoemde ontwikkelingen in de sport hadden onherroepelijk invloed op de ontwikkeling van de lichamelijke opvoeding en omgekeerd was dat eveneens het geval. Zo valt waar te nemen dat vóór de Tweede Wereldoorlog de sport in Nederland bepaald werd door een combinatie van Engelse, Duitse en inheemse invloeden. Na de Tweede Wereldoorlog werd de Amerikaanse invloed steeds groter. De ontwikkelingen in de sport vertaalden zich ook naar de wereld van de lichamelijke opvoeding. De van oorsprong Noord-Amerikaanse zaalsporten basketbal en volleybal en de veldsporten softbal en honkbal deden hun intrede in het curriculum van de lichamelijke opvoeding en zijn tegenwoordig niet meer weg te denken uit de lessen lichamelijke opvoeding (of als onderdeel van sportoriëntatie in het voortgezet onderwijs). In de jaren ’70 en ’80 van de twintigste eeuw kwamen vervolgens ook Amerikaanse sporten zoals joggen, surfen, aerobics, fitness, skateboarden en mountainbiken overgewaaid naar Nederland. Eerst was deze Amerikaanse invloed zichtbaar in de buitenschoolse sportcultuur en enkele jaren later werd deze invloed ook zichtbaar in de curricula van scholen en in de curricula van ALO’s.
, ook in de school, steeds meer zichtbaar. Met de 'Serie Moderne Spelen' (onder redactie van H.A. Holtzappel, K. Rijsdorp en D.H. Schmüll) werden handleidingen voor het geven van softbal, basketbal en volleybal op school aangeboden aan de leraren lichamelijke opvoeding. Deze drie 'kostelijke spelen' bleken uitermate geschikte alternatieven voor de saaie, ordelijke oefeningen waaruit de gymnastieklessen lange tijd bestonden.

Ook de uitbreidende vrije tijd leidde tot een toename van de maatschappelijke aandacht voor nieuwe takken van sport, waaronder zaalsporten. Dat leidde tot wijzigingen in het examenprogramma (1955 en 1958), de invoering van keuzevakken op de (inmiddels voltijd)opleidingen, de inrichting van een examencommissie en tientallen publicaties

Besluit
De ALO's speelden een belangrijke rol bij de ontwikkeling van het spelonderwijs in de lichamelijke opvoeding. Het, als assessor, op een andere ALO examineren leidde tot kwaliteitsverbetering en innovatieve docenten als Rein Verwers, en in latere jaren ook Max Koops en Wim van Heumen, hadden een voortrekkersrol in de methodisch-didactische 'sturing' van de curriculuminhouden.
De invloed van de ALO-docenten, maar zeker ook het werk van pioniers als Jan Kloen, leidde in de laatste decennia van de 20e eeuw tot de opkomst van de schoolsport, een toename van de integratie van LO en sport, en het kunnen aanbieden van andere en eigentijdse sporten via de sportoriëntatie in het voortgezet onderwijs en LO als keuze-examenvak.

In de huidige tijd is er maatschappelijk veel aandacht voor sport en spel, getuige de vele spel- en sportorganisaties die zich bezighouden met de ontwikkeling van sport en spel in Nederland.
Ondanks de steeds groeiende betekenis van sport in de vorige eeuw is 'sport' nooit als apart schoolvak opgenomen. Sport en lichamelijke opvoeding hebben elkaar wederzijds beïnvloed en zijn inmiddels onlosmakelijk met elkaar verbonden, maar 'sport' is altijd onderdeel geweest van 'lichamelijke opvoeding' of 'gymnastiek'.

Literatuurverwijzingen

  • Bottenburg , M. van (1995). 'Verbreiding en onderscheiding. Enige hoofdlijnen in de sociale geschiedenis van de sport', in: Henk Schmal (red.), Nederland in de twintigste eeuw. Een boeiend beeld van een bewogen tijdperk, Utrecht: TELEAC/TROS, pp. 152-173. [Herdrukt in: Wilfred van Buuren en Peter-Jan Mol (eds.) (2000). In het spoor van de sport, Haarlem: Arcadia, pp. 221-246.].
  • Huizinga, J. (1938). Homo Ludens: Proeve eener bepaling van het spel-element der cultuur. In: Brummel, L. e.a. (1950). Johan Huizinga, Verzamelde werken V. Cultuurgeschiedenis III. Haarlem: Tjeenk Willink, p. 26-246.
  • Kramer, J.P. en Lommen, N. (1987). 'De spel- en sportbeweging rond 1880'. In: Geschiedenis van de Lichamelijke Opvoeding in Nederland. Meppel: Ten Brink, p. 55-64).
  • Lommen, N. (1989). Wegbereiders van de Lichamelijke Opvoeding (deel 2). Van gymnastiek, turnen en spelonderwijs naar een bewegings- en sportspelonderwijs. Zeist: Jan Luiting Fonds, p. 243-305.
  • Pleket, H.W. (2000). 'Sport en maatschappij in de Griekse Oudheid'. Buuren, W. van en Mol, P.J. (red.). In het spoor van de sport. Haarlem: Arcadia, p. 17-35.
  • Stokvis, R. (1995). 'De school en de ontwikkeling van de sport- en spelbeweging in Nederland'. In: D'hoker, M. en Tolleneer, J. (red.). Het vergeten lichaam. Geschiedenis van de lichamelijke opvoeding in België en Nederland Leuven/Apeldoorn, p. 59-75.
  • Tilborg, C.G.A.T. van (2000). Sedimenten van sentimenten: 75 jaar Academie voor Lichamelijke Opvoeding Tilburg. Tilburg: Fontys Sporthogeschool. Deel 2: Status maturandi 1956-1986, p. 111-116.

Externe links



Auteur: Gerben Bakker