Canonlo

1975

1976

1980

Verbod op de minitrampoline

Overzicht verdiepingsteksten

Over zalen, sportvelden, toestellen, ballen, sportkleding en nog veel meer

Tussen 1976 en 1980 heeft de staatssecretaris van het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen (O&W) de rijksscholen voor voortgezet onderwijs verboden de minitrampoline te gebruiken. De aanleiding was een ernstig ongeval. Docenten waren onvoldoende geschoold en de wijze van gebruik was onvoldoende bekend. Vanaf 1980 werd het gebruik onder voorwaarden weer toegestaan en vanaf 1991 werd het geheel overgelaten aan het bevoegd gezag. Dit was mede het gevolg van een nieuwe besturingsfilosofie in het onderwijs: deregulering en autonomie. In 1997 kreeg dit zijn beslag in de decentralisatie van de onderwijshuisvesting naar de gemeenten, die op hun beurt (partieel) kunnen doordecentraliseren naar schoolbesturen. Dit bood meer mogelijkheden voor integraal lokaal beleid

mogelijkheden voor integraal lokaal beleid

De bredeschoolgedachte leidt tot een koppeling van voorzieningen als kinderopvang, multifunctionele sportzalen, naschoolse opvang, et cetera.
en maatwerk. De verschillen tussen gemeenten en tussen scholen werden sindsdien groter.
Daarmee is de rol van de rijksoverheid wat betreft bekostiging en zeggenschap, die sinds de onderwijspacificatie in 1917 leidde tot een gedetailleerde wet- en regelgeving omwille van de financiële gelijkstelling tussen openbaar en bijzonder onderwijs, behoorlijk veranderd.

De eerste gymzalen voor scholen dateren uit 1850. Bij de oprichting van de KVLO in 1862 zijn het er zes. Vanaf 1840 wordt vooral gebruikgemaakt van speelplaatsen/pleinen naast scholen die, in navolging van onderwijzer R.G. Rijkens, werden ingericht met allerlei gymnastiektoestellen zoals zweefrek, brug, touwen, ladders en wipplanken. Ook buiten scholen werden speelplaatsen gesticht met attributen als draaischijven, draaimolens, schommels en zweefmolens. Deze openbare speelplaatsen hebben grote invloed gehad op het gymnastiekonderwijs, omdat daar zichtbaar werd voor onderwijzers hoe kinderen zich met gymnastiek en spel bezig hielden. In 1900 zijn er 64 gymzalen, in 1960 1.500. Daarna gaat het snel. In de jaren zestig alleen al worden er 1.350 gymzalen gebouwd, net zoveel als in de honderd jaar ervoor. Vanaf 1970 is er een sporthalexplosie

sporthalexplosie

Alhoewel er geen exact overzicht bestaat schat Van der Poel in 2001 dat er 6.600 gymzalen en 1.300 sportzalen en sporthallen gebruikt worden door het onderwijs.
en de bouwstromen voor guymnastieklokalen in het voortgezet onderwijs (ongeveer 1974).

De bouw van accommodaties voor LO is lange tijd een traditionele aangelegenheid. Vorm, afmeting en inrichting werden sterk door het turnen bepaald en gymzalen werden standaard gebouwd en ingericht conform vigerende normen voor ruimten voor bewegingsonderwijs. Richtinggevend was enige tijd het boekje

het boekje

Uit Wils et al. (1941): ‘De ambtelijke voorschriften zijn te ruim opgesteld en de literatuur over het bouwen en inrichten van oefengelegenheden voor LO is omvangrijk en in den regel weinig overzichtelijk.’ Geadviseerd werd dat architect, gymleraar en fabrikant van aanvang aan bij het ontwerp samenwerken.

‘De vorm en het karakter van de zaal worden bepaald door haar doel en door de toestellen, die men daarin zal gebruiken en niet omgekeerd.’ Anno 2012 heet dat: van 'visie naar vorm'.
dat architect Wils

Wils

De bekende architect Jan Wils was mede verantwoordelijk voor het ontwerp van het Olympisch Stadion in Amsterdam en de daarvoor staande Citroëngarage. Hij was, vanaf de oprichting in 1925 van de Academie voor Lichamelijke Opvoeding in Amsterdam, tot het cursusjaar 1944-1945 aan dat instituut verbonden als docent bouw en inrichting van oefengelegenheden. In 1929 maakte hij ook een ontwerp van een Academie voor Lichamelijke Opvoeding van een ALO aan het Olympiaplein en de Apollolaan. Het ontwerp werd niet gerealiseerd
, Gaulhofer en Van Schagen in 1941 voor het lager en middelbaar onderwijs schreven toen lichamelijke opvoeding verplicht werd. Vanaf de jaren tachtig onstond, vooral door vakinhoudelijke ontwikkelingen, Arbo-eisen en technische ontwikkelingen meer differentiatie in de bouw. Bij scholengemeenschappen verrezen naast gymzalen grotere sportzalen met scheidingswand. Zo kreeg ook de schoolsport ruimte.
Vanaf de zestiger jaren werden schoolsportvelden en verharde oefenplaatsen aangelegd of konden VO-scholen gebruikmaken van gemeentelijke sportvelden. Bij lagere scholen werden schoolpleinen en soms trapveldjes aangelegd. Vanaf die tijd werden basisscholen uitgerust met een speellokaal voor de kleuters.

Ook de inrichting van gymnastiek zalen was lange tijd traditioneel en vertoont nog steeds trekken van de oudste inrichtingslijst (kosten: 259,50 gulden) die de Duitse turnleraar C. Euler in 1853 publiceerde. Een foto uit 1925 van de gymzaal van het Amsterdams Lyceum (zie hiernaast) laat nog veel herkenbaars zien.
Ook hier kwam vanaf de jaren tachtig verandering in. Spel- en zaalsporten kregen veel meer aandacht. Er werd minder klassikaal en meer in groepen en op verschillende niveaus gewerkt. Alle leerlingen moesten actief kunnen zijn. Het materiaal moest makkelijk hanteerbaar, varieerbaar en combineerbaar zijn. Omdat toestellen heel andere functies kregen dan waarvoor ze ooit ontworpen waren, speelden toestelfabrikanten hier handig op in. Er waren veel nieuwe ontwikkelingen; een variatie aan balmateriaal, rackets, zaalhockeysticks met platte kanten, balanceertonnen en skateboards, matten, elektrisch bedienbare wandrekken en ophijssystemen voor ringen, touwen en verschuifbare werkbalken en klimwanden. Vanaf 2000 werden inventarislijsten

inventarislijsten

  • 1983: SLO: De basisschool vraagt om ander materiaal.
  • 1989: MBO-basisinventarislijst, CIMBO werkgroep.
  • 1985: Londo-inventarislijst BO.
  • 1997: Kolthoff-inventarislijst VO.
  • 2000: KVLO/SLO-Basisinventarislijst Gymzaal en speellokaal BO.
  • 2006: KVLO-inventarislijsten VO.
  • 2010: KVLO-inventarislijsten BO.
voor het eerst gepresenteerd als voorbeeld- en keuzelijsten gerelateerd aan leerlijnen en bewegingsthema's.

Uit oogpunt van veiligheid, bewegingsvrijheid en hygiëne werd het dragen van sportkleding en schoeisel tijdens gymlessen gemeengoed. Vanaf de zestiger jaren leidde dit op veel scholen tot uniforme herkenbare sportkleding. Vanaf de jaren tachtig waren er verhitte discussies op scholen, in vakwereld en pers over hoofddoekjes, kleding en douchen tijdens gymlessen. Er volgden diverse publicaties in de Lichamelijke Opvoeding met aanwijzingen over het veilig dragen van hoofddoekjes. Bedekkende, soepele kleding en apart ontworpen kleurrijke sporthoofddoekjes temperen de discussie. Gewenning zal daarbij op termijn beslist een rol spelen.

Het vak bouw en inrichting

bouw en inrichting

In 1958 behoorde ‘kennis van de eisen te stellen aan de oefengelegenheden en oefenmiddelen’ tot het mondeling deel van MO-akte LO. Er werden docenten aangesteld die zich specialiseerden in bouw en inrichting.
is op de opleidingen na 1945 goed van de grond gekomen, maar is vanaf de jaren tachtig weer op de achtergrond geraakt. De KVLO vervult nog steeds een belangrijke rol in voorlichting, advisering en ontwikkeling van richtlijnen, normen en kwaliteitseisen voor sportruimtes met onderwijsgebruik, misschien juist wel omdat er steeds minder voorschriften zijn en er van overzichtelijkheid, waar Wils ook in 1941 over sprak, nog nauwelijks sprake.

Literatuurverwijzingen

  • Graafland, N.M. (1937). 1862-1937 Historische schets van de wording, het leven en werken der Vereeniging. In: 1862-1937 Na 75 jaar. Zeist: Jan Luiting Fonds, No.12 p. 3-158.
  • Kramer, J.P. en Kugel, J. (1966). Geschiedenis van de lichamelijke opvoeding in Nederland. Zeist: Jan Luitingfonds.
  • Nieuwsbrief: De gymzaal van de toekomst.
  • Poel, H. van der (2001). De gymnastiekaccommodatie. Gebruik, waardering, toekomst. Tilburg: Departement Vrijetijdswetenschappen, KUB, 112 p.
  • Wils, J., Gaulhofer, K.L. en Schagen, K.H. van (1941). De gymnastiekzaal en de oefenplaats voor scholen. Alphen aan den Rijn: Samsom N.V.


Auteur: Baukje Zandstra