Canonlo

1903

1910

1911

‘Het Zweedse stelsel van gymnastiek uit het oogpunt van lichamelijke vorming beschouwd’

De Zweedse gymnastiek: aanleiding tot een stevige stelselstrijd binnen de vakvereniging

De grondlegger van het zogenaamde Zweedse stelsel, dat een sterk gezondheids- en heilgymnastisch karakter had is P.H. Ling (1776-1839). Aanvankelijk werd hij beïnvloed voor natuurfilosofische opvattingen, die vooral in het begin van de negentiende eeuw in Duitsland en Scandinavië opgang deden. Hierbij keerde men zich af van de 'mechanistische' opvatting van Verlichtingsartsen zoals J.O. de la Mettrie (l'Homme machine). Op basis van natuurfilosofische speculaties ging Ling

Ling

Op latere leeftijd gaat Lings voorkeur uit naar de medisch georiënteerde (heil)gymnastiek. Deze verandering in zijn denken moet worden geplaatst in de context van de slechte negentiende-eeuwse sociale omstandigheden: de erbarmelijke hygiënische toestanden in wonen en werk en de epidemieën onder andere tuberculose.
En er bestaat ook een causaal verband tussen zijn (afnemende) gezondheid en zijn veranderde opvattingen. Door het schermen zou Ling genezen zijn van een reumatische kwaal in zijn arm. Bovendien verslechterde zijn gezondheidstoestand: zijn longen waren door tuberculose aangetast. Daar komt ten slotte nog bij dat zijn praktijk voor heilgymnastiek (financieel) floreerde.

Publicaties:
  • Algemene grondslagen der gymnastiek, 1834;
  • Het ’Reglement voor gymnastiek’, 1836
uit van het bestaan van een 'levenskracht', die niet te vatten was in een exacte analyse.
Zijn zoon, H. Ling, transformeerde de opvattingen van zijn vader in een op de natuurwetenschappen gebaseerde gymnastiek. Deze 'pedagogische' (en gezondheidsgymnastiek) heeft een anatomisch-fysiologisch fundament. In zijn systematiek

zijn systematiek

Systematiek:
  • Oefeningen zonder toestel (A eenvoudige oefeningen en B samengestelde oefeningen)
  • Oefeningen met toestel.
worden alleen die oefeningen opgenomen waarvan het anatomisch-fysiologisch nut vast staat.
De gymnastieklessen hebben een vaste lesindeling

Lesindeling

Lesindeling:
  • ordeoefeningen;
  • beenoefeningen;
  • spanboog- en hangoefeningen;
  • evenwichtsoefeningen en oefeningen voor schouders, nek en rug; buikoefeningen;
  • gaan en lopen; rompoefeningen;
  • been- en hangoefeningen;
  • springen; beenoefeningen;
  • romp- en ademhalingsoefeningen.
met in een bepaalde volgorde uitgevoerde en voorgeschreven oefeningen. Zodoende wordt de oefening van alle lichaamsdelen gewaarborgd. De grootste fysieke inspanning ligt op twee derde van de les. Tijdens de les vinden willekeurige ademhalingsoefeningen plaats.

De leerstof is (in vergelijking met het Duitse stelsel) beperkt en eenvoudig. Typisch Zweedse toestellen zijn het wandrek, de springkast en de bank; ze dienen ter verzwaring of lokalisering van de bestaande oefeningen. Het doel is door middel van goede en juist gedoseerde lichaamsbewegingen de gezonde ontwikkeling van het lichaam te bevorderen. In een gezond lichaam kunnen de geestelijke bekwaamheden zich ongestoord ontplooien, want alleen een dusdanig lichaam kan een gewillig dienaar van de wil zijn.

De leerlingen en opvolgers van H. Ling hebben door middel van cursussen aan buitenlanders (waaronder Nederlanders

Nederlanders

H. Elias, J.M. Scheffer, P.J. Schuil hebben een cursus van drie weken in Denemarken gevolgd en verslag hierover uitgebracht in: Zweedse Gymnastiek, Amsterdam, 1907.
) en optredens in het buitenland het Zweedse stelsel internationale bekendheid gegeven. In Nederland werd de invloed van de Zweedse gymnastiek begin 20e eeuw langzaam zichtbaar. In 1907 werd zelfs een volledig nummer van het Correspondentieblad (4e, No. 12, p. 85-112) besteed naar aanleiding van het voornemen enkele Zweedse toestellen (wandrek, dubbelboom en bank in plaats van rekstok, ringen en ladder) aan te brengen in een nieuw te bouwen gymnastieklokaal.
Een van die cursisten, en later fervent voorstander van het Zweedse stelsel, was de Nederlandse officier W.P. Hubert van Blijenburgh. In zijn Het Zweedsche stelsel van gymnastiek uit het oogpunt van Lichamelijke Vorming beschouwd, o.a. in vergelijking met het Duitsche stelsel (1910) deed hij een felle aanval op het Duits-Nederlandse stelsel. Hij schuwde daarbij niet op de man te spelen en probeerde bovendien door middel van (gemanipuleerde) foto's van militairen, die volgens de methode van het Zweedse stelsel waren opgeleid, zijn gelijk te halen. Zijn kritiek kwam er op neer dat het Duits-Nederlandse stelsel niet wetenschappelijk (= anatomisch-fysiologisch) onderbouwd was en de spieren niet doelmatig ontwikkelde. Zijn geschrift was dan ook de aanleiding tot de zogenaamde 'stelselstrijd'.

De 'Vereeniging van Gymnastiek-Onderwijzers in Nederland' besteedde twee buitengewone vergaderingen (19 en 21 januari 1911) aan deze kwestie, die geheel gewijd waren aan het weerleggen van de aanvallen van Van Blijenburgh. Deze wenste daar echter, ondanks een uitnodiging, zijn weerwoord niet te doen.
J. van der Boom, als de woordvoerder, benadrukt dat Van Blijenburgh weinig kennis van zaken heeft als het om de Nederlandse schoolgymnastiek gaat en bovendien nog nooit één les heeft bijgewoond. Van der Boom refereert weliswaar aan toonaangevende medici, die het Zweedse stelsel bekritiseren, maar zijn redevoering richt zich vooral tegen de ongemotiveerde aanvallen van Hubert van Blijenburgh. Ook wijst hij er op dat het Zweedse stelsel zich bedient van een beperkt aantal en voor elke leeftijdscategorie ongeveer dezelfde oefeningen. Geen wonder dat er in Zweden zo weinig turnverenigingen zijn. De Nederlandse schoolgymnastiek is blijkbaar veel aantrekkelijker voor leerlingen, aldus Van der Boom.

In België sloeg het Zweedse stelsel wel aan. In Nederland daarentegen is het Zweedse stelsel, behalve in het leger, door weinig gymnastiekonderwijzers integraal overgenomen. Maar in medische kringen vonden de opvattingen van H. Ling c.s. wel bijval. Zo hebben 19de-eeuwse prominente medici-hygiënisten als Douwe Lubach , Samuel Senior Coronel, Herman van Capelle (sr) en Gerard Allebé zich door woord en geschrift ingezet voor de invoering van op anatomisch-fysiologische grondslagen gebaseerd gymnastiekonderwijs. Mede daardoor vinden we de invloed van dit stelsel terug in de 'Haagse kweekschool', de Oostenrijkse School, de 'medische gymnastiek' en de (top)sport.

Suggesties voor doorstuderen

  • Kugel, J. (1995). Beknopte geschiedenis van de gymnastiek. Haarlem: De Vrieseborch, p.30-32; 47-59.
  • Kramer, J.P. & Schagen, K.H. van (1967). Historisch overzicht van de lichamelijke opvoeding. Deel 2. Den Haag-Rotterdam: Nijgh & Van Ditmar, p.89-119.
  • Rijsdorp, K. & Kramer, J.P. (eds. s.a.). De ontwikkeling van de stelsels van lichamelijke opvoeding, Deel 1. Den Haag-Rotterdam: Nijgh & Van Ditmar, p.63-75.

Literatuurverwijzingen

  • Langenfeld, H. (1988). Auf dem Weg zur Sportwissenschaft: Mediziner und Leibesübingen im 19. Jahrhundert. In: Stadion XIV, 1 p, 125-148.
  • Elias, H.A., et al. (1907). Zweedse gymnastiek. Amsterdam: Ceaft & Co.
  • Törngren, L.M. (1921). Lehrbuch der Schwedischen Gymnastik. Esslingen a.N.: Wilh. Langguth, 565p.
  • Lommen, N. (1987). Wegbereiders van de lichamelijke opvoeding. Deel 1. Zeist: Jan Luiting Fonds nr. 46.
  • Hubert van Blijenburgh, W.P. (1910). Het Zweedse stelsel van gymnastiek uit het oogpunt van lichamelijke vorming beschouwd, onder andere in vergelijking met het Duitsche stelsel. Rotterdam: W.L. & J. Brusse, 188p.
  • Hubert van Blijenburgh, W.P. (1920). Wetenschappelijke grondslagen van het gymnastiekonderwijs. Rotterdam: W.L. & J. Brusse, 359p.
  • De aanvallen op de Nederlandsche schoolgymnastiek weerlegd door J.A. van der Boom, aangevuld met eene verdediging van het bij de K.N. Marine gevolgde stelsel door J.H.A. baron Melvill van Carnbee, kapitein der Mariniers. Haarlem 1911: Tjeenk Willink & zoon, 173 p.


Auteur: Jaap Tuinenga