Canonlo

Achtergronden en systeemwortels van de Oostenrijkse school

(Venster: De vakwereld stelt zich lang open voor het ‘natuurlijke turnen’ van Gaulhofer en Streicher)

Vanuit het humanisme werden eind zestiende eeuw en begin zeventiende eeuw meerdere ridderacademies opgericht. De ridderacademies werden opgericht om vorsten en legeraanvoerders op te leiden. Daardoor kon de enigszins vergane oude glorie hersteld worden en kon ook sociale afstand geschapen worden. Sommige leden van de verpauperde adel konden daar bovendien aan een baantje komen. Aan de ridderacademies bedreven de aanwezigen voor het eerst sinds lange tijd weer gezamenlijk lichaamsoefeningen (paardrijden, schermen, worstelen, boogschieten, klimmen, zwemmen, jagen, hoofse kunst en tournooikunde).

Philantropinum
Johann Bernard Basedow (1723-1790) bracht zijn achtergrond mee van de ridderacademie te Sorö. In 1774 richtte hij in Dessau als eerst een 'Philantropinum' op, een soort model-kweekschool voor de betere standen en sommige lagere standen (werkstudenten). Deze 'Erziehungsanstalt' diende ter verwezenlijking van de 'verlichte' ideeën over opvoeding (harmonie, zelfontplooiing, verdraagzaamheid, rede en rationalisme). Het 'geestelijk' onderwijs werd afgewisseld met lichaamsoefeningen. Aan een later opgericht (door C. G Salzmann) Philantropinum in Schnepfental ging, de tot dat moment als gouverneur werkende aardrijkskundeleraar, Johann Christof Friedrich Gutsmuths zich met lichamelijke opvoeding bezighouden. Basedow en Gutsmuths brachten, op grond van de opvattingen van de oude Grieken en gesteund door de theorieën en uitspraken van toenmalige toonaangevende medici en filosofen, hun opvattingen in praktijk.
Aan een later opgericht (door C. G Salzmann) Philantropinum in Schnepfental ging, de tot dat moment als gouverneur werkende aardrijkskundeleraar, Johann Christof Friedrich Gutsmuths zich met lichamelijke opvoeding bezighouden.
Basedow en Gutsmuths brachten, op grond van de opvattingen van de oude Grieken en gesteund door de theorieën en uitspraken van toenmalige toonaangevende medici en filosofen, hun opvattingen in praktijk.

Gutsmuths was een begaafd theoreticus en practicus.
In 1793 schreef hij zijn standaardwerk 'Gymnastik für die Jugend', waarin hij verschillende principes vermeldde om de lichaamsoefeningen in te delen. Hij werkte zelf de generische indeling uit, een indeling naar de oefengeslachten waarin hij alles van werpen, klauteren, et cetera bij elkaar groepeerde. Daarnaast vermeldde hij een indeling van de oefeningen naar mechanisch natuurkundige principes (later gebruikt door A. Spiesz), een indeling van de oefeningen naar de anatomisch-fysiologische werking (later genomen door P. Ling) en een indeling van de oefenstof naar de invloed die ze hebben op de totale persoonlijkheid. Deze laatste, toen zeer complexe, indeling is te herkennen als het uitgangspunt voor de Oostenrijkse school. In die zin is Gutsmuths de 'grootvader' te noemen van de Oostenrijkse school, een systeem dat decennialang de vakwereld in Nederland bepaalde.

Alles bij elkaar redenen genoeg om Gutsmuths centraal te plaatsen in onderstaand schema.