Canonlo

Sport, gymnastiek en politiek op zijn Hollands

(Venster: Afdelingen en gewesten; één van de speerpunten van P.C. Adrian, langstzittende voorzitter (1871-1910) van de ‘Vereeniging’)

Door Jan Rijpstra

Honderd jaar geleden werd het Algemeen College van Advies voor de Lichamelijke Opvoeding door het kabinet ingesteld. Het was een uniek moment in 1917, want politiek gezien was er tot dan toe weinig aandacht voor de lichamelijke opvoeding en sport in het parlement geweest. De mobilisatiejaren hadden aangetoond dat de lichamelijke gesteldheid van de mannelijke jeugd te wensen overliet, zo had althans de legerleiding geconstateerd. En voor het Nederlands Olympisch Comité was het een mooie gelegenheid om zich aan te sluiten bij de oproep om hieraan iets te doen. De voorzitter van het NOC, Frederik (‘Frits’) van Tuyll van Serooskerken, zag mogelijkheden om de lichamelijke opvoeding en sportbeoefening meer voor het politieke voetlicht te brengen. Het NOC had al de coördinatie over de vaardigheidsproeven voor het leger en het bestuur vond dat er meer afstemming in het werk van de inspecteurs voor de lichamelijke opvoeding moest komen.

Het kabinet vroeg Van Tuyll om het voorzitterschap op zich te nemen. Behalve hijzelf en een secretaris namen achttien mannen zitting in het Algemeen College. Onder hen was ook Charles Ruys de Beerenbrouck, invloedrijk lid van de Tweede Kamer voor de RKSP. De directe betrokkenheid van deze prominente RKSP-er had het begin van Nederlands beleid rond sport en lichamelijke opvoeding kunnen inluiden, ware het niet dat Ruys in 1918 Minister van Binnenlandse Zaken werd. Bij zijn terugtreden uit het Algemeen College gaf hij aan het College ‘met de meeste belangstelling te blijven volgen’ (1). Die geruststellende woorden hadden in de praktijk echter weinig betekenis.

Het Algemeen College kan worden gezien als een adviescommissie die zowel gevraagd als ongevraagd advies uitbracht. De praktijk was goed vertegenwoordigd; zo hadden de drie inspecteurs voor de lichamelijke opvoeding een adviserende stem. In het reglement van orde werd vastgesteld dat er tenminste vier keer per jaar vergaderd zou worden. Al gauw bleek dat men bijna iedere twee maanden bijeenkwam en soms zelfs nog vaker. Die ijver leidde in mei 1921 tot een rapport Betreffende de hoofdlijnen waarlangs de overheidsbemoeiing met de lichamelijke opvoeding zich zal hebben te bewegen. Het was een lijvig boekwerk waarin acht thema’s aan de orde kwamen, steevast vergezeld van een waslijst van aanbevelingen:
  • Lager Onderwijs, Middelbaar en Hoger Onderwijs
  • Vakonderwijs
  • Niet-schoolgaande jeugd tussen de leer- en dienstplichtige leeftijd
  • Opleiding van leerkrachten
  • Speelterreinen, lokalen en werktuigen
  • Vrouwelijke jeugd
  • Onderzoek naar de waarde van verenigingen en de wijze waarop ze zijn te steunen
  • Gymnastiekmethodes

Dat het Algemeen College een warm pleitbezorger van de lichamelijke opvoeding was spatte op elke bladzijde van het rapport. Zo constateerde men destijds al een ‘groote overschatting van de geestelijke vaardigheid in vergelijking met de lichamelijke.’ ‘Het vak lichaamsoefeningen zal op scholen behandeld moeten worden als een hoofdvak, als rekenen, Nederlandsch, wiskunde of oude-talen. Het is niet vol te houden, dat een behoorlijke graad van lichamelijke geoefendheid in het algemeen minder waarde zou hebben voor den mensch, minder zou bijdragen tot zijn geluk, dan een behoorlijke hoeveelheid kennis van wiskunde en talen’, aldus de opstellers.

Om hierin verbetering te brengen, kwam het college met aanbevelingen die vanuit het oogpunt van inclusie heel interessant zijn. Lichamelijke opvoeding zou op alle scholen een verplicht vak moeten worden. Dat gold zowel voor openbare als bijzondere scholen, voor lager en voortgezet onderwijs, voor stadsscholen en scholen op het platteland en bovendien zowel voor jongens- als meisjesscholen. Voor de burgerlijk-verzuilde en naar sekse gescheiden samenleving die Nederland in die tijd was, was dit een behoorlijk vooruitstrevend streven.

Het rapport werd door de minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen op 9 september 1921 aan de Tweede Kamer aangeboden, maar tot een debat erover kwam het niet. De Kamervoorzitter stelde voor het te plaatsen ‘in de boekerij der Kamer’ (2). Achteraf bezien was dit een gemiste kans om een breed debat over de lichamelijke opvoeding en sport te voeren en na te denken over een betekenis ervan voor allerlei groepen in de samenleving.

Op 1 oktober 1922 werd het Algemeen College opgeheven en omgevormd tot een veel kleiner college van tien leden. Het zou vervolgens tot begin jaren zestig van de vorige eeuw duren voordat er een nieuwe nota (3) over lichamelijke opvoeding en sport zou verschijnen.

Noten
(1) Algemeen College: verslag 14 september 1918.
(2) TK: 108e vergadering, p. 2949.
(3) bv. Lichamelijke Vorming en Sport uit 1960.