Canonlo

Korpershoek, Jo

Verspreider van kennis en erudiet voorzitter (1929-1962) die streed voor de lichamelijke opvoeding

Johannes Martinus Jacobus Korpershoek werd op 6 juli 1884 te Rotterdam geboren. Na het doorlopen van de Lagere School en vervolgens de School voor Meer Uitgebreid Lager Onderwijs ging Jo studeren voor de middelbare akte lichamelijke oefening bij J.M. van der Kleyn te Rotterdam. In 1905 slaagde hij voor het examen.
Reeds voor die tijd had zich bij Jo Korpershoek een grote belangstelling voor de gymnastiek geopenbaard, getuige het feit dat hij reeds enkele jaren een zeer actief lid was van de gymnastiekvereniging 'Rotterdam'. Van deze vereniging werd hij in 1915 directeur. In latere jaren was hij directeur van de christelijke gymnastiekvereniging Concordia. Het turnen nam in het leven van Korpershoek een centrale plaats in. Dit verklaart ook zijn liefde voor het K.N.G.V., de grote gymnastiekbond, waarover hij dikwijls waarderend sprak en schreef.

Gymnastiekonderwijzer en opleider
In 1906 werd Jo Korpershoek aangesteld als gymnastiekonderwijzer aan de Eloutschool te Rotterdam, een school voor Bijzonder Lager Onderwijs. Eveneens in 1906 volgde een aanstelling aan de Christelijke Kweekschool, de Koningin Wilhelminaschool, te Rotterdam. In beide functies bleef hij tot 1909 werkzaam, toen het hem mogelijk werd in volledige dienst te treden bij het openbaar lager onderwijs in Den Haag en Scheveningen. In Den Haag vervolgde zich zijn carrière. In 1910 was hij tijdelijk leraar in de lichamelijke oefening aan het Gymnasium Raganum (ter vervanging van J. Flemer). Na zijn aanstelling in vaste dienst bleef hij daar werken tot aan zijn pensionering in 1949.
Korpershoek werd in 1921 lid van de examencommissie voor de middelbare akte lichamelijke oefening. Deze plaats nam hij eveneens in tot september 1949. Het is speciaal in deze functie geweest dat Korpershoek constant geplaagd zou worden, niet door de vraag of de kandidaten wel genoeg wisten, maar door de vraag of hij wel alles had gedaan wat in zijn vermogen lag de kandidaat tot zijn recht te laten komen.
In 1925 ontwikkelde zich een andere carrièrelijn, namelijk die van docent (tot 1949) aan de Academie voor Lichamelijke Opvoeding te Amsterdam. Eerst docent in de gymnastiek, later - en als zodanig door eenieder gekend - als de grote man van het doel, de plaats en de stelselkennis van de lichamelijke opvoeding.

Bestuurlijk actief in de vakvereniging
Zijn eerste activiteit ontplooide hij als publicist in zijn Rotterdamse periode. In 1913 werd hij bestuurslid van de afdeling Den Haag. In deze afdeling vervulde hij geruime tijd de functie van secretaris. Van 1914 tot 1926 maakte Korpershoek deel uit van de redactie van het verenigingsorgaan De Lichamelijke Opvoeding.
In maart 1917 deed Korpershoek zijn intrede in het hoofdbestuur, fungeerde daar van 1920 tot 1922 als waarnemend secretaris, van januari 1929 tot oktober 1929 als waarnemend voorzitter en werd ten slotte in oktober 1929 als opvolger van Jan Luiting tot voorzitter gekozen. Deze functie van voorzitter vervulde hij tot november 1962. Bij zijn aftreden als voorzitter werd hij bij besluit van de ledenvergadering tot erevoorzitter benoemd. Reeds in 1937 had de vereniging hem tot erelid benoemd. Ook de afdeling Den Haag benoemde hem tot erelid en van Den Haag ontving hij de zilveren penning van de stad.
Als voorzitter van de NVLO hield Korpershoek in 1942 zijn kortste openingrede (vier pagina’s) tijdens de jaarlijkse Paasvergadering(en). De langste openingsrede was in 1953, met 21 pagina’s. Uit het feit dat zijn artikelen na WOII nog beter gedocumenteerd zijn dan daarvoor, kan de voorzichtige conclusie getrokken worden dat het werk als voorzitter van de vakvereniging tijdens de oorlog door vervoersproblemen werd gehinderd en dat de beschikbare tijd werd benut aan (de) studie. Bekend is dat Korpershoek in 1941 met zijn echtgenote voor een vakantie in Oosterbeek verbleef, en daar een pamflet schreef over de lichamelijke opvoeding op de Kweekschool. Nu is bekend dat er na 1942 tot aan de bevrijding geen Paasvergaderingen meer zijn gehouden als gevolg van spoorwegstakingen.

Productief publicist van boeken, brochures en brieven
Tussen 1917 en 1962 heeft Korpershoek, daarin gesteund door vele trouwe medewerkers,  in hoge mate het gezicht van de lichamelijke opvoeding in Nederland bepaald en aan dit opvoedingsgebied vaste grondslagen gegeven. Groot is het aantal boeken en brochures dat hij in die tijd heeft geschreven. Veel groter het aantal artikelen, van elke aard, maar waarbij wel een duidelijke tendens in belangstelling voor de wetenschap van de lichamelijke opvoeding valt te onderkennen. De omvang van deze vorm van arbeid is trouwens moeilijk te bepalen, omdat er tal van schrifturen zijn, die weliswaar zijn naam niet of niet alleen dragen, maar waarin men zijn hand herkent. Denk daarbij aan honderden brieven en adressen aan rijks-, provinciale en gemeentelijke overheid, aan onderwijsorganisaties en instanties die aangesproken konden en dienden te worden, omdat zij iets bij zouden kunnen dragen ter bevordering van de uitbouw en ontwikkeling van de lichamelijke opvoeding in ons land. De bij de adressen gevoegde memories van toelichting groeiden niet zelden uit tot kleine wetenschappelijke werken. Korpershoek vond namelijk, wilde men belangstelling voor en inzicht in de betekenis van de lichamelijke opvoeding bevorderen, dat dan iets nooit vaak genoeg gezegd en niet duidelijk genoeg herhaald worden. Dat zijn verdiensten van overheidswege werden erkend, spreekt vanzelf en moet worden gezien als daden van rechtvaardigheid, die door Korpershoek - hoezeer hij hier ook van genoot - werden beschouwd als signalen van groeiend inzicht in de vele waarden van de lichamelijke opvoeding.

Bijzondere waardering vanuit de lichamelijke opvoeding, de georganiseerde sport en de overheid
Actief voor de lichamelijke opvoeding was Korpershoek ook via commissiewerk, waaraan hij zich ondanks zijn zware dagbezetting nooit onttrok. Intern moet daarbij gedacht worden aan de commissie Huisvrouwengymnastiek waarvan hij tot aan zijn dood voorzitter was. Extern is het slechts mogelijk een enkele greep te doen. Van 1929 tot 1932 was Korpershoek lid van het Rijkscollege voor de lichamelijke opvoeding. De penning door dit college in 1942 uitgegeven was in zijn bezit. Vele jaren lang was Korpershoek gedelegeerde in de vergadering van het Nederlands Olympisch Comité. De erepenning die hem door deze organisatie was uitgereikt, bekrachtigde het hem in 1949 aangeboden erelidmaatschap.
Korpershoek verleende ook zijn medewerking aan het tot stand komen van de NSF en nam enkele jaren een kwaliteitsbestuurszetel in deze organisatie in. Hij was bestuurslid van de Stichting Sport en Spel, bestuurslid van het Jan Luiting Fonds, stond steeds op de bres voor het KNGV - welke organisatie hem ook met het erelidmaatschap vereerde - en vertegenwoordigde de lichamelijke opvoeding in binnen- en buitenland, waar mogelijk en noodzakelijk, op vergaderingen en congressen. In 1949 werd hem de Ling-medaille uitgereikt voor zijn internationale bijdragen aan Europese contacten en conferenties.
Op 15 december 1934 werd Korpershoek - op vijftigjarige leeftijd - benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje Nassau. Bij Koninklijk Besluit van 19 december 1957 volgde de benoeming tot Officier in de Orde van Oranje Nassau. Dat gebeurde bij gelegenheid van de grootse huldiging, die hem ten deel viel toen hij veertig jaar lid van het hoofdbestuur van de Koninklijke Nederlandse was. Bij die gelegenheid viel hem ook de Visser-Neerlandiaprijs ten deel. Hij kreeg die als enige op basis van persoonlijke verdienste vanwege zijn strijd voor de lichamelijke opvoeding in Nederland. Op 11 januari 1958 ontving hij het erelidmaatschap van het NOC.
Alleen al door de indrukwekkende bestuurlijke carrière past Korpershoek in de eregalerij van de voorvechters van en voor de lichamelijke opvoeding. J.P. Kramer, zijn opvolger als voorzitter van de KVLO, heeft hem daarvoor op verschillende manieren geëerd. Twee publicaties zijn daarbij toonaangevend. Allereerst Honderd jaar Lichamelijke Opvoeding,1862-1962, een gedenkboek waarin Korpershoek wordt geroemd om zijn werkkracht, welsprekendheid, wetenschappelijk gefundeerd schrijven, soepelheid van leiding geven en vaste overtuiging.  Daarnaast Keur uit het werk van Johannes Martinus Jacobus Korpershoek ingeleid en samengevat door J.P. Kramer, waarin Korpershoek met een inleidend hoofdstuk wordt getypeerd. Vervolgens werd een aantal belangrijke teksten nog eens herdrukt

Leven en werken in dienst van de ontplooiing van het kind
Jo Korpershoek overleed in Den Haag op 2 februari 1967. Tijdens zijn lange leven was hij steeds gericht op het anderen informeren over datgene wat hij in zijn langdurige ervaring op het arbeidsterrein van de lichamelijke opvoeding als waar en waardevol had leren begrijpen. Hij droeg deze kennis over en demonstreerde in deze overdracht niet alleen zijn enorme eruditie op zijn werkterrein, maar ook zijn overtuiging dat de lichamelijke opvoeding een wezenlijk deel behoort te zijn in een proces, dat tot volle ontplooiing van het kind zal leiden. Dat heeft in het leven van Jo Korpershoek steeds centraal gestaan en wilde hij uitdragen. Het was ook het allermeeste wat hij te geven had. Datgene wat een mens überhaupt maar het beste geven kan: liefde voor de medemens en het ten behoeve van deze medemens stellen van daden, die - naar men hoopt - deze medemens op zijn levensweg ten goede zullen komen.

N.B. de tekst van deze biografische beschrijving is nagenoeg volledig overgenomen uit:  Kramer J.P. (1967). Keur uit het werk van Johannes Martinus Jacobus Korpershoek. Zeist: Jan Luitingfonds, p. 9-11.

Auteur: Bram Donkers