Canonlo

1862

1871

1879

De eerste afdeling: de ‘Amsterdamsche Gymnastiek-Onderwijzers Vereeniging’

Overzicht verdiepingsteksten

Afdelingen en gewesten; één van de speerpunten van P.C. Adrian, langstzittende voorzitter (1871-1910) van de ‘Vereeniging’

Na 1857 steeg het aantal scholen waar 'gymnastiek' werd gegeven. Het aantal 'gymnastiekonderwijzers' groeide en zo werd in 1962 de 'Vereeniging van onderwijzers in de gymnastiek' opgericht. Deze vereniging, in het spraakgebruik al snel ‘de Nederlandsche’ genoemd, vergaderde tweemaal per jaar. Vanwege reisafstand en reiskosten was de opkomst regelmatig te gering om besluiten te kunnen nemen.

Behoefte aan regionaal overleg
Het verenigingsbestuur bleef aanvankelijk via 'correspondenten' op de hoogte. Vanuit de behoefte aan overleg ontstonden vanaf 1871 ook lokale, regionale en gewestelijke GOV's

gewestelijke GOV's

Zo werden tot aan de eeuwwisseling achtereenvolgens opgericht:
  • Amsterdamsche GOV (1871)
  • Zuid-Hollandsche GOV (1874)
  • Geldersche GOV (1880)*
  • ‘s-Gravenhaagsche GOV (1883)
  • Noorder GOV (1884)
  • GOV N.-Holland (1886)
  • Rotterdamsche GOV (1887)
  • GOV Amsterdam (1889)
  • Utrechtse GOV (1892)
  • Zuider GOV (1892)*
  • Groningsche GOV (1896)

* De betreffende jaartallen duiden op het oprichtingsjaar waarna de afdeling onafgebroken een flink aantal jaren heeft bestaan. Van een aantal van deze afdelingen (*) is bekend dat ze voor de genoemde datum al een korte periode bestaan hebben. Zo is in het jaarverslag van de ‘vereeninging’ over 1874 sprake van de Noord-Brabantsche Vereeniging van leeraren in de gymnastiek en worden in de jaarverslagen van 1876 en 1877 het Gewest Noord-Brabant en het gewest de Geldersche genoemd. Waarschijnlijk zijn deze GOV’s steeds na korte tijd doodgebloed of opgegaan in een andere GOV tot het moment van ‘definitieve wederopstanding’.
. Piet Adrian nam het initiatief voor de oprichting van de eerste afdeling, de Amsterdamsche GOV.
De GOV's voerden, als zelfstandige 'zusterorganisaties' ook actie naar overheden. Ze onderhielden contact met het hoofdbestuur van 'de Nederlandsche' en stuurden een jaarverslag op.
Regelmatig werd gepoogd een eigen landelijk orgaan uit te geven. Dat lukte definitief vanaf 1903 met het Correspondentieblad, de voorloper van het huidige vakblad. De aanzet daartoe kwam van Piet Adrian die 39 jaar voorzitter van de vereniging was.

Langzame groei naar een definitieve organisatie
De laatste decennia van de 19e eeuw werd in de wereld van de lichamelijke opvoeding regelmatig gediscussieerd over de opleidingen tot gymnastiekonderwijzer. Dat had te maken met onvrede van velen over de bestaande opleidingen en de steeds toenemende eisen die de overheid stelde aan examens en opleidingen. Als gevolg daarvan stonden de bestaande particuliere (vaak 1-mans-) opleidingen onder druk. Deze moesten bovendien concurreren met de cursussen aangeboden op Rijkskweekscholen, en kregen ook te maken met de invloed van ‘de Nederlandsche’.

In diezelfde periode ontstonden plaatselijke en regionale Gymnastiek Onderwijzers Verenigingen (GOV). Sommige GOV's werden snel ontbonden of bloedden dood, enkele wisten zich te handhaven en nieuwe werden weer opgericht. De GOV’s opereerden zelfstandig en beschouwden zich als zusterverenigingen van de Vereeniging van Gymnastiek Onderwijzers in Nederland. Dat leidde regelmatig tot meningsverschillen, enerzijds tussen de GOV's onderling en anderzijds tussen de GOV’s en de Vereeniging van Gymnastiek Onderwijzers in Nederland. Die meningsverschillen gingen over zaken als de inhoud van het vak, de organisatie van een vakvereniging, het ‘eigendomsrecht’ van opleiden, en de zin en onzin van inbedding van opleidingen in grotere verbanden

Grotere verbanden

In de geschetste situatie werden vanaf 1874 regelmatig plannen gemaakt, en pogingen ondernomen, om de opgerichte provinciale, regionale, en plaatselijke GOV samen te laten gaan. Versnippering en afscheidingen enerzijds, en samenwerking en fusievoorstellen anderzijds, wisselden elkaar echter in hoog tempo af.
Een initiatief van de Rotterdamsche GOV in september 1895 had enig succes en in 1895 werd in ‘de Nederlandsche’ het voorstel aangenomen plannen te ontwikkelen om tot één corporatie of bond van gymnastiekonderwijzers te komen. De verschillende GOV’s zouden dan onder één hoofdbestuur gaan samenwerken. Het initiatief leidde op 29-12-1895 tot een constituerende vergadering van de Bond van Nederlandsche Gymnastiek-Onderwijzers-Vereenigingen (Olympia, 1896, 10e, No. 15, p. 1-3). J.S.G. Disse werd in de loop van 1896 de eerste voorzitter en K. Ramkema (tijdelijk) 1e secretaris.
In de reeks van belangengroeperingen werd op 30 juli 1899 nog de ‘Vereeniging van leeraren en leeraressen in de gymnastiek aan Hoogere Burgerscholen’ geconstitueerd. Dit om ‘met kracht en klem te kunnen ageeren tegen de vele misstanden bij het Middelbaar Onderwijs’ (Olympia, 1899, 13e, No. 46, p. 1-2). Deze bond sloot zich, met J.S.G. Disse als voorzitter en E.J. Stegeman als secretaris, aan bij de Bond van G.O.V.
Deze Bond van GOV’s heeft, naast ‘de Nederlandsche’, een tijdje bestaan, maar verschillen van mening over vakinhouden en organisatie bleven echter voorkomen. Daarbij kwam door angst voor identiteitsverlies, zorg om vertegenwoordigd te zijn, wantrouwen wat betreft belangenbehartiging, onduidelijke afbakening van verantwoordelijkheden, (bestuurs)lidmaatschap bij meerdere GOV’s en persoonlijke en vakinhoudelijke gevoeligheden. Al die factoren verhinderden de eerste decennia van de 20e eeuw een samengaan van alle GOV’s. Zo trok AGOV zich bij voorbeeld in 1907 terug uit ‘de Nederlandsche’ om vervolgens vier jaar later weer toe te treden. In 1918 volgde de afscheiding van de katholieken die verenigd waren geweest in de Zuider GOV en in 1920 scheidden ook de GOV’s van Amsterdam en Utrecht zich af. Pas rond 1925 werd duidelijk dat ‘de Nederlandsche’ toch het vertegenwoordigend orgaan was.
. Initiatieven om te komen tot centralisatie van opleidingen kwamen echter niet alleen vanuit genoemde gremia. Zo was ook het Nederlands Gymnastiek Verbond voorstander van een aparte kweekschool voor gymnastiek onderwijzers (Olympia,1894, 9e , No. 11, p. 3-4).

Huidige structuur en afdelingstaken
Voor de Koninklijke Vereniging voor Lichamelijke Opvoeding (KVLO) zijn goed functionerende afdelingen van vitaal belang. De afdelingen vormen de verbinding tussen de leden en het bestuur/bureau. De afdelingsbestuurders zijn vrijwilligers en vormen het kader van de vereniging. Jaarlijks zijn er twee algemene ledenvergaderingen, waarvan de meivergadering vanuit een afdeling wordt georganiseerd, meestal gekoppeld aan een afdelingsjubileum.
Afhankelijk van de actualiteit vinden landelijke (kader/achterban)bijeenkomsten voor afdelingsbestuurders en/of leden plaats. Ook wordt gewerkt met permanente c.q. ad hoc, afdelingsoverstijgende, kennisgroepen/themacommissies, al dan niet onder leiding van een beleidsmedewerker.
Ieder lid van de KVLO is ingedeeld in een van de 25 afdelingen

25 afdelingen

Afdelingen en oprichtingsjaar:
  • AGOV (1871)
  • Amersfoort (1941)
  • Delft (1930)
  • Dordrecht (1960)
  • Drenthe (1966)
  • Friesland (1922)
  • Gelre (1929)
  • De Graafschap (1971)
  • 's-Gravenhage e.o. (1883)
  • Haarlem e.o. (1909)
  • De IJsselstreek (1919)
  • Leiden e.o. (1949)
  • Limburg (1973)
  • De Noorder (1884)
  • Noord-Holland (1958)
  • Noord West Veluwe (1970)
  • Oost-Brabant (1957)
  • Rijk van Nijmegen (1987)
  • Rotterdam e.o. (1887) *
  • 't Suydenvelt (1980)
  • Twente (1919)
  • Utrecht (1892) *
  • West-Brabant (1962)
  • Zeeland (1950)
  • Zoetermeer (1974) *
* Deze afdelingen zijn op dit moment 'slapend'.
. De contacten tussen leden en het (afdelings)bestuur verlopen via de hedendaagse communicatiemiddelen. Vanaf begin jaren tachtig beheren nagenoeg alle afdelingen een vervangingsbank.
Naast de afdelingen bestaat sinds 1987 de katholieke groepering St. Thomas van Aquino. Thomas functioneert vanuit haar specifieke invalshoek en verspreidt drie tot vier keer per jaar het Thomasbulletin. Succesvolle Thomasactiviteiten zijn de jaarlijkse Oriëntatiedag en de Jazzdansdagen.

Interne activiteiten: professionalisering en versterken van de cohesie
De afdelingen organiseren diverse scholingsactiviteiten. De inhoud is op basis van actuele ontwikkelingen soms theoretisch gericht maar het accent ligt op de praktijk (veranderingen in de bewegingscultuur). De informele contacten en het uitwisselen van expertise tijdens de nascholingsactiviteiten hebben een sociale functie. Dat is ook het geval bij het zich oriënteren op en samen beoefenen van (nieuwe) sporten. Een bijzondere plaats binnen de deskundigheidsbevordering hebben de Dexelse dagen, de Papendaldagen en de Twentedagen.

Externe activiteiten: lobbyen en onderhouden van een netwerk
Bij (sport)activiteiten op school, in de gemeente en de regio/provincie zijn vaak sportraden, buurtorganisaties, medezeggenschapsraden, sportverenigingen, inspecties en andere sociaal-maatschappelijke organisaties betrokken. De afdelingen kunnen een niet te onderschatten strategische functie vervullen door te participeren in genoemde gremia en deel te nemen aan projecten, werkgroepen, netwerkbijeenkomsten, etcetera. Als partner in het te ontwikkelen en het uit te voeren beleid kunnen de afdelingen namelijk een bijdrage leveren aan goed vakonderwijs, geschikte accommodaties en relevante sportieve activiteiten.

Literatuurverwijzingen

  • Elias H.A. (1922). 'Zestig jaren'. In: De lichamelijke opvoeding, feestnummer ter gelegenheid van het 60-jarig bestaan der Vereeniging van Leeraren en Onderwijzers in de gymnastiek in Nederland (79 p.). Haarlem: Nijgh & Van Ditmar, p.8-35.
  • In: De revue der sporten 1931 (24e ), no 37 (20-04-1931). Amst. Gymnastiek Onderwijzers Ver. 1871 - 18 april - 1971
  • Jaarverslagen van de afdelingen. Zeist: KVLO-archief.
  • Kramer, J.P. (1962). 1862-1962. De geschiedenis van de vereniging van leraren en onderwijzers in de lichamelijke opvoeding in Nederland. In: Bakker, M.C. en Kramer, L.D.E.J. (red.)(1962). 1862-1962. Honderd jaar Lichamelijke Opvoeding, Gedenkboek van de Vereniging van Leraren en Onderwijzers in de Lichamelijke Opvoeding in Nederland. Meppel: Ten Brink, 222 p.
  • Kramer, J.P. en Lommen, N. (1987). Geschiedenis van de Lichamelijke Opvoeding in Nederland. Zeist: Jan Luiting Fonds, p. 203-211.
  • Olympia, 1895/1896, 10e, No. 15, p. 1-3; 1895/1896, 10e. No. 48, p. 4; 1896/1897, 11e, No. 15, p. 2-3; 1897/1998, 12e , No. 39. P. 1-2; 1898/1999, 13e, No. 1, p. 1-3.

Externe links



Auteur: Kees van Tilborg