Canonlo

Bladergroen, Wilhelmina

Bewegen doet leren. De levenslange missie van een gymnastieklerares

Bladergroen, Wilhelmina

Bewegen doet leren. De levenslange missie van een gymnastieklerares

Wilhelmina Johanna Bladergroen (roepnaam Mien) werd geboren in Amsterdam op 12 juli 1908 als oudste kind van Hendrika Maria Bruchner (handwerkonderwijzeres) en Willem Frederik Bladergroen (kantoorboekhandelaar). Acht jaar later kreeg ze een broer. Ze bleef ongehuwd, maar woonde een deel van haar leven samen met W.E. (Mimi) Nooteboom (psychologe, 1918-2000). Ze had een pleegzoon.

Gefascineerd door beweging
Na de lagere school ging Mien naar het Barlaeusgymnasium. In deze jaren ontwikkelde ze een levenslange fascinatie voor het bewegende lichaam, waardoor ze na haar gymnasiumdiploma (1928) besloot om gymnastieklerares te worden. Ze bezocht in Amsterdam de particuliere opleiding van Eckhardt, haalde in 1930 de middelbare akte lichamelijke opvoeding, kreeg direct een tijdelijke benoeming op acht Amsterdamse basisscholen en meldde zich als lid van de (nu) KVLO. Twee jaar later ging ze het lesgeven combineren met een studie psychologie aan de Universiteit van Amsterdam. Als gevorderd studente deed ze daar in 1937 de 'toevallige vondst', zoals het zelf altijd uitdrukte, die haar verdere loopbaan zou bepalen.

Een ‘toevallige vondst’
In opdracht van haar hoogleraar G. Révész moest ze een jonge vrouw onderzoeken die door ziekte pas laat had leren lopen en zowel leer- als gedragsproblemen had. Dankzij haar focus op de betekenis van beweging veronderstelde Bladergroen dat de problemen van de patiënte te maken hadden met de sensomotorische belemmeringen uit haar kindertijd. Ze begon een bewegingstherapie waarbij ze voor het bewegen gebruik maakte van de Mensendieckmethode en voor het ontdekken van de ruimte de patiënte liet bouwen, mozaïeken leggen, tasten en met Montessorimateriaal werken. Al spelend kwam de vrouw tot ruimtelijke ontdekkingen, waarna Bladergroen met het 'echte' leren begon. Met een spectaculair resultaat; binnen een jaar zat de patiënte met rekenen op het niveau van het middelbaar onderwijs. Ook haar gedrag veranderde; ze werd actief en zelfstandig. Bladergroen kreeg haar hypothese dus bevestigd en zou de rest van haar leven overtuigd blijven dat veel kinderen leer- en gedragsproblemen kregen door een stoornis in de motorische of ruimtelijke ontwikkeling, en dat die te verhelpen waren door deze ontwikkeling alsnog te doorlopen. In een filmopname uit 1978 licht ze dit toe.

Duizendpoot in bezettingstijd
Vanaf dat moment bewoog haar loopbaan zich op het snijvlak van psychologie en lichamelijke opvoeding. Na haar afstuderen als psychologe, kort na de Duitse inval in Nederland, was ze het liefst in een beleidsfunctie op dit terrein bij het ministerie van Onderwijs gaan werken, maar samenwerken met de Duitse bezetter wilde ze niet. In plaats hiervan bouwde ze haar psychologische adviespraktijk in Amsterdam uit met een school annex internaat voor 'normale' kinderen met leer- en/of gedragsproblemen. Terugkijkend was dat de eerste lomschool van Nederland.

Ook gaf ze les in psychologie en pedagogiek, zowel op de Amsterdamse ALO (1942-1953) als op de School voor Maatschappelijk werk, en begon aan een proefschrift over de relatie tussen motoriek en denken. De laatste oorlogsjaren waren moeilijk. Doordat ze Joodse onderduikers in huis had, kwam ze begin 1944 in het concentratiekamp Vught terecht. Na haar vrijlating moest ze de kinderen en het personeel van haar Amsterdamse instituut door de Hongerwinter leiden.

Spelpropagandiste en hoogleraar
In 1949 werd zij benoemd tot lector (toen een rang net onder die van professor) in de kinderpsychologie aan de Rijksuniversiteit Groningen. Zij bleef deze functie combineren met het directoraat van haar Amsterdamse instituut (het PPIA) en begon in het noorden eveneens een eigen praktijk, waaraan al gauw ook een school voor kinderen met leer- en opvoedingsmoeilijkheden was verbonden. Later werd dit de Bladergroenschool in Eelde. Gaandeweg groeide haar naamsbekendheid, niet alleen als deskundige op het terrein van leermoeilijkheden (dyslexie bijvoorbeeld), maar ook wegens haar pleidooien om kinderen meer speel- en bewegingsruimte te geven. Zo zouden volgens haar veel leerproblemen voorkomen kunnen worden. Ze werd een prominent lid van de International Council of Children's Play (ICCP) en maakte deel uit van de afdeling jeugdsport van de landelijke Raad voor de Jeugdvorming. Daarnaast gaf ze jarenlang les op de Groningse ALO, trad op in cursussen en gaf lezingen door heel Nederland. Hoewel ze regelmatig publiceerde, kwam ze niet tot de afronding van haar proefschrift. Desondanks werd ze in 1966 benoemd tot eerste Groningse hoogleraar in de orthopedagogiek. In 1969 promoveerde bij haar de Haagse docent lichamelijke opvoeding J. Kugel.

Reputatie
In 1978 ging ze met emeritaat. Een jaar eerder was ze benoemd tot Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw, in 1978 kreeg ze de Jantje Betonprijs van het Nationaal Jeugdfonds wegens haar baanbrekende arbeid voor het verbeteren van het leefmilieu van grotestadskinderen en werd erelid van de KVLO. Haar portret hangt in de portrettengalerij van het Groningse Academiegebouw. Ze overleed op 25 december 1983 te Haren (Gn).

Externe Links:

  • www.adng.nl  (De organisatie die de geschiedenis van de gedragswetenschappen bewaakt: het Archief en Documentatiecentrum Nederlandse Gedragswetenschappen)

Deze biografie is gebaseerd op:
M. van Essen (2012). Wilhelmina Bladergroen. Vrouw in de eeuw van het kind. Amsterdam: Boom.

Auteur: Mineke van Essen

Bewegen als onmisbare voorwaarde om te leren.