Canonlo

Boom, Jan Antonie van der

Een geziene, gezaghebbende en vakbekwame grondlegger van de Nederlandse schoolgymnastiek

Jan Antonie van der Boom werd op 6 december 1856 in Amsterdam geboren als enige zoon van Jan van der Boom en Janiette Moorhoff. Hoewel hij aanvankelijk het beroep van wagenmaker uitoefende, ging zijn hart uit naar het gymnastiekonderwijs.

Gymnastiekonderwijzer aan ‘Kostenloze Scholen’
Als onderofficier behaalde Van der Boom in 1880 de lagere akte gymnastiek. Op 31 augustus 1880 verliet hij de militaire dienst en kreeg hij een aanstelling als 'Onderwijzer in de Gymnastiek aan de openbare Kostelooze Scholen' in Amsterdam tegen een jaarsalaris van ƒ 400,-.
Deze scholen, eerder ook wel armenscholen genoemd, hadden in Amsterdam geen naam, maar een nummer. Van der Boom werkte eerst aan school 21, later aan de scholen 22, 5 en 47. Tevens was hij een periode verbonden aan de Marnixschool en aan enkele particuliere scholen.
In 1883 was Van der Boom leider van G.V. Germanicus en nam als zodanig met deze gymnastiekvereniging deel aan diverse wedstrijden. Vier jaar later was hij de oprichter en leider van de ‘T.V. Holland’, leidde hij deze vereniging bij een groot aantal wedstrijden en behaalde daarmee vele prijzen.

Duits-Nederlandse Schoolgymnastiek
In 1892, het jaar dat Van der Boom in Haarlem trouwde met Catharina Johanna Warnier, kreeg hij benoeming als gymnastiekleraar aan de Rijks Kweekschool te Haarlem en was daar tot 1 januari 2016 werkzaam. Daarnaast werkte hij nog kort aan het in 1927 opgerichte Instituut voor Lichamelijke Opvoeding in Apeldoorn.
In zijn lessen integreerde Van der Boom het toestelturnen van Jahn-Eiselen, de opvattingen van Spiesz en vooral die van Maul in een systeem dat bekend staat als de Duits-Nederlandse schoolgymnastiek. Hierdoor kwam er een einde aan de verschillende opvattingen en werkwijzen ten aanzien van het 'turnen als schoolvak'.

Veelzijdig vakman en auteur

In de periode 1880-1920 was Van der Boom een toonaangevende figuur in de vakwereld, met name ook door zijn op de theorie en praktijk gerichte publicaties. Daarin stond hij op de bres voor het vak en met scherpe pen bestreed hij iedereen die het niet eens was met zijn opvattingen over het vak. Ook tijdens vergaderingen liet Van der Boom van zich horen als ontwikkelingen hem niet aanstonden. Een mooi voorbeeld daarvan is het debat dat hij in 1916 voerde met H.J. Balfoort, toen inspecteur lichamelijke opvoeding in de 2e inspectie (Korpershoek, 1916).
In zijn De aanvallen op de Nederlandsche Schoolgymnastiek weerlegd (1911) verdedigde Van der Boom zich, namens de Vereeniging van Gymnastiek-Onderwijzers, tegen de opvattingen van W.P. Hubert van Blijenburgh, de pleitbezorger van het Zweedse stelsel.
Ten aanzien van de bevoegdheidskwestie was hij van mening dat de schoolgymnastiek op de lagere scholen gegeven moest worden door vakonderwijzers. In 1900 nam hij zitting in een commissie die een leerplan voor middelbare scholen (jongens en meisjes) opstelde.

In de 'methodenstrijd' (1911) stond Van der Boom, als exponent van de 'traditionelen' tegenover W.H. Nijsten, de vertegenwoordiger van de 'Zuidermethode'.
Bij het 25 jarig bestaan van de Nederlandsche Gymnastiek Onderwijzersvereeniging in 1887 was Van der Boom voorzitter van de ‘Regelingscommissie’ die het jubileum organiseerde. Van 1913 – 1916 was hij redactielid van De Lichamelijke Opvoeding. Uit onvrede met de beperkte omvang van, en de censuur bij de bestaande bladen voor lichamelijke opvoeding richtte hij in 1919 samen met S. van Aken het tijdschrift Vrank, vrij, vroom, vroed op. Aan het einde van de 1e jaargang (1919-1920) werd de uitgave echter gestaakt vanwege de hoge exploitatiekosten en de geringe belangstelling.

Bestuurder, opleider en examinator

Van der Boom was bestuurslid (1910-1917) van De Vereeniging en Onderwijzers in de Lichamelijke Opvoeding in Nederland. Het hoofdbestuur beschouwde hem als een van de 'pioniers', 'grondleggers' en 'strijdersfiguren' met betrekking tot de invoering en verdediging van de lichamelijke opvoeding.
Deze, zowel bij zijn leerlingen als ook bij vele autoriteiten, geziene en gezaghebbende vakman heeft velen opgeleid voor de lagere en middelbare akte gymnastiek. Bovendien was hij lid van diverse examencommissies voor de onderscheiden bevoegdheden tot het geven van onderwijs in de lichamelijke oefening.

Op 60-jarige leeftijd moest Van der Boom om medische redenen stoppen met werken en kreeg hij eervol ontslag als gymnastiekonderwijzer aan de Rijkskweek- en leerschool te Haarlem. In 1927 werd hij, bij het 65-jarig bestaan van de KVLO, benoemd tot erelid door de vakvereniging. Van der Boom overleed op 6 juni 1933 in Apeldoorn.

Literatuurverwijzingen

  • Boom, J.A. van der (1907). De vrije en ordeoefeningen voor de lagere school. Haarlem: Tjeenk Willink, 257 p.
  • Boom, J.A. van der (1911). De aanvallen op de Nederlandsche schoolgymnastiek weerlegd; aangevuld met eene verdediging van het bij de K.N. Marine gevolgde stelsel door J.A.H.L. Melvill van Carnbee, benevens verschillende uitspraken van physiologen. Haarlem: Tjeenk Willink, 175 p.
  • Boom, J.A. van der (1918). De Toesteloefeningen voor Mannelijke en Vrouwelijke Leerlingen der Lagere, Meer uitgebreid Lagere en Hoogere Burgerschool. Haarlem: H.D. Tjeenk Willink & Zoon. p. 68-74.
  • Korpershoek, J.M.J. (1916). Verslag debat v.d. Boom-Balfoort. De Lichamelijke Opvoeding, 4e, p. 254-261.
  • Kramer, J.P. en Lommen, N. (1987). Geschiedenis van de lichamelijke opvoeding in Nederland. Jan Luiting Fonds, nr.44, p.47, 52-54, 81, 82, 229.
  • Kugel, J. (1986). Geschiedenis van de gymnastiek. Haarlem: De Vrieseborch. p.119.
  • Scheffer, J.A. (1916). Een afscheid. De Lichamelijke Opvoeding, 4e, nr. 1, p. 17-19.


Auteur: Jaap Tuinenga