Canonlo

Luiting, Jan

Een markante voorzitter (1910-1929) geëerd met een publicatiefonds (JLF) met zijn naam

Jan Hendrik Luiting werd geboren op 24 april 1859 in Harderwijk. Nadat hij op 18-jarige leeftijd de ‘acte van hulponderwijzer’ had behaald, werd hij in hetzelfde jaar (1877) als zodanig benoemd aan de openbare burgerschool voor gewoon lager onderwijs. Van 1879 tot 1883 werkte hij als hulponderwijzer aan de opleiding van jongens aan boord van het opleidingsschip Z.M. Admiraal van Wassenaer.
Jan Luiting kreeg in 1880 de aantekening gymnastiek op zijn akte en behaalde in 1882 de akte MO gymnastiek. In 1883 werd hij benoemd tot gymnastiekonderwijzer aan twee lagere scholen (nr. 16 en 21) in Amsterdam. Op 1 april 1889 volgde een aanstelling als leraar gymnastiek aan de 1e HBS met 3-jarige cursus te Amsterdam. Hij vervulde die functie tot op 66-jarige leeftijd in 1925. Inmiddels had hij in 1884 ook de akte schoonschrijven behaald. In 1902 werd hij tevens als tijdelijk en in 1909 als vast leraar schoonschrijven benoemd aan dezelfde HBS.

Voorzitter van de VGON
Jan Luiting werd in 1910 gekozen tot voorzitter van de KVLO, die toen ‘Vereeniging van Gymnastiekonderwijzers in Nederland’ (VGON) heette. De functie bekleedde hij tot zijn overlijden in 1929. Al voor zijn aantreden als voorzitter stond hij op de bres voor het gymnastiekonderwijs. Daarbij richtte hij zich zowel tot de autoriteiten als tot zijn collega’s. De verbetering van de kwaliteit van het vakonderwijs stond bij hem centraal. Voor de opleiding van de vakleerkrachten achtte hij een rijksinstituut noodzakelijk. Toen bleek dat dit niet haalbaar was, steunde hij het initiatief van de Amsterdamse Gymnastiek-Onderwijzers Vereeniging (AGOV) tot oprichting (1912) van het Nederlandsch Instituut voor de Lichamelijke Opvoeding (NILO

NILO

Het Nederlandsch Instituut voor Lichamelijke Opvoeding werd in 1912 opgericht op initiatief van de AGOV, de Amsterdamse afdeling van de huidige KVLO. Het initiatief zou een einde moeten maken aan de toenmalige situatie van vele kleine particuliere opleidingsinstituten van matige kwaliteit. Tevens was de ambitie gestalte te geven aan een nationaal opleidingsinstituut voor de lichamelijke opvoeding op academisch niveau. Het NILO bleek geen onverdeeld succes en werd uiteindelijk in 1935 opgeheven.
Literatuur: Kaandorp, F.L. en Van Tilborg, C.G.A.T. (2015). Het NILO: Nederlandsch Instituut voor Lichamelijke Opvoeding. De Lichamelijke Opvoeding, 103e, nr. 1, p. 34-36; nr.2, p. 44-45; nr. 3, 40-41.
). Dat gebeurde met steun van de Amsterdamse gemeenteraad. Luiting kreeg de leiding en de laatste vijf jaar van zijn leven was hij de gedelegeerde van de vakvereniging in het bestuur.

Invloed via lezingen
Luiting was, mede door zijn ongekende welsprekendheid en vlotte schrijfstijl, een markante voorzitter. Hij oefende via vele lezingen

Vele lezingen

Luiting hield vele lezingen waaronder:
  • De gymnastiek in de schooluren, een dringende eisch (1897);
  • Vereenvoudiging der leerstof (1899);
  • De gymnastiek en de gymnastiekleer op de middelbare school in verband met de volksweerbaarheid (1900);
  • De opleiding van den gymnastiekonderwijzer in verband met de examens voor dat vak (1901);
  • De opleiding voor de acte Middelbaar Onderwijs (1904);
  • De Lichamelijke Opvoeding door de school (1904);
  • De opleiding van den gymnastiekleeraar (1906);
  • De toestand van het gymnastiekonderwijs vóór 1857 – belangrijke wijziging na 1857 – de toestand op heden en wat voor de toekomst wenschelijk wordt geacht (1907);
  • De lichamelijke opvoeding onzer schooljeugd en hare belangen tot bevordering van Volksgezondheid, kracht en weerbaarheid (1909);
  • School en Sport (1910);
  • Kan het verschil in algemeen volkstype ‘lang en slank’ tegenover ‘kort en gedrongen’ zijn ontstaan door beoefening van gymnastiek? (1911);
  • De lichamelijke opvoeding (1914);
  • Het Koninklijk Besluit inzake de lichamelijke oefening der rijpere jeugd (1916).
, met name op de algemene vergaderingen van de VGON, grote invloed uit. Daarbij ging het vooral om de behartiging van de belangen van het vak en om de verbetering van het vakonderwijs. In zijn bestuursperiode werd hij echter ook geconfronteerd met allerlei discussies, zoals die over de stelselstrijd tussen de Zweedse en de Nederlands-Duitse gymnastiek, over de introductie van de ritmische gymnastiek en over het opnemen van sportspelen in het gymnastiekonderwijs. Van dit laatste was hij een duidelijke voorstander.

Belangenbehartiger
In de hele geschiedenis van de KVLO staat de behartiging van de belangen van het vak centraal. Voortdurend moest (en moet) worden opgetreden tegen maatregelen van de rijksoverheid of juist tegen het uitblijven van beslissingen. Zo ging de eerste rijkssubsidie in 1882 naar rijkskweekscholen voor een cursus gymnastiek, zodat de leerlingen na hun opleiding gymnastiek konden geven op lagere scholen. Deze subsidie ging niet naar de opleiding van vakleerkrachten. Hetzelfde gold voor een stoomcursus gymnastiek in het kader van de volksweerbaarheid: daarvoor werd een beroep gedaan op het Nederlandsch Gymnastiekverbond. Het doel was om de conditie van de jonge mannen te verbeteren voordat zij in dienst gingen. Een derde voorbeeld: de ondersteuning van de buitenschoolse sport- en recreatieactiviteiten van de Nederlandsche Bond voor de Lichamelijke Opvoeding. Ook daar kwam de verbetering van de lichamelijke opvoeding van de schooljeugd door vakleerkrachten niet in beeld.
Luiting leerde hiervan dat daadkrachtig optreden, al dan niet in de vorm van een meeslepende toespraak, noodzakelijk was om de belangen van het vak en de docenten te behartigen.

Netwerker
Luiting betekende veel voor de VGON door de vele functies die hij bekleedde. Zo vertegenwoordigde hij de VGON in het Rijkscollege voor Advies voor de Lichamelijke Opvoeding, in de Amsterdamsche Bond voor Lichamelijke Opvoeding (ABLO) waar hij een paar jaar na de oprichting in 1902 voorzitter van werd en in de sportcommissie van het NOC. Hij was verder voorzitter van de technische commissie van het Nederlandsch Gymnastiekverbond (NGV) en lid van de examencommissie voor de akte J en de middelbare akte gymnastiek. Ten slotte was hij oprichter van het Utrechtsche Bureau voor Medische Sportkeuring.

Fonds met zijn naam
Door zijn grote kennis van de materie en zijn constructieve opstelling bestond bij velen een grote waardering voor Jan Luiting. Het NGV en de ABLO verleenden hem het erelidmaatschap. Voor zijn vele verdiensten werd hij in 1922 benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje Nassau.
De waardering voor Luiting als persoon en voor de wijze waarop hij als voorzitter twintig jaar lang was opgekomen voor het belang van de lichamelijke opvoeding, bleek heel duidelijk na zijn plotseling overlijden in Utrecht op 20 januari 1929: een rij van sprekers herdacht hem tijdens de begrafenis. Nummer 3 van de 17e jaargang van de De Lichamelijke Opvoeding werd helemaal aan hem gewijd en zelfs als ‘overdruk’ apart uitgegeven. De enorme waardering voor Luiting bleek niet in de laatste plaats uit de beslissing van de ledenvergadering van de VGON om een publicatiefonds in het leven te roepen dat zijn naam zou dragen: het Jan Luiting Fonds.

Literatuurverwijzingen

  • Steendijk-Kuypers, J. (2004). 75 jaar Jan Luiting Fonds. Zeist: Jan Luiting Fonds.
  • Jaargangen van het Correspondentieblad van de Vereeniging van Gymnastiek-Onderwijzers in Nederland (1900-1912), De Lichamelijke Opvoeding, Orgaan van de Vereeniging van Gymnastiek-Onderwijzers in Nederland en hare afdelingen (1913-1925), De Lichamelijke Opvoeding, Orgaan van de Vereeniging van Leeraren en Onderwijzers in de Lichamelijke Opvoeding in Nederland (1926-1929).
  • Overdruk van De Lichamelijke Opvoeding, Orgaan van de Vereeniging van Leeraren en Onderwijzers in de lichamelijke opvoeding in Nederland (1929, 17e nr. 3) n.a.v. het overlijden van Luiting.


Auteur: Wim de Heer