Canonlo

‘De nieuwe richting’

(Venster: De muzisch-esthetische stromingen aan de basis van dansante bewegingsvormen)

J.A. Hijner, leraar lichamelijke opvoeding te Amsterdam, had het belang van ‘maat, rhythmus en tempo’ al eens onder de aandacht gebracht in De Turnvriend, het maandblad van het toenmalige Nederlandsch Gymnastiek Verbond. Hij uitte zijn denkbeelden op bijeenkomsten van de AGOV, en vervolgens in 1894 en 1895 tijdens ledenvergaderingen van de 'Vereeniging van gymnastiekonderwijzers in Nederland’. Hijner gaf de aanwezigen uitleg over de ‘ware benaming’ van ‘maat, rhythmus en tempo’ en werkte voorbeelden uit voor het ‘marcheren’, de ‘passen’ en de brug. Maat, ritme en tempo dienden vooral als ondersteuning van de toenmalige Duits-Nederlandse gymnastiek en had niet veel met ritmische gymnastiek te maken. Maar men zag wel dat de eentonige en saaie lessen wat aantrekkelijker werden en dat het bij de jeugd meer ‘lust en opgewektheid’ bracht. (Ken U Zelven: jaarboekje der Vereeniging van Gymnastiek-onderwijzers in Nederland. Tilburg: Arts, 1893, 4e jaargang, p. 55-63; 1894, 5e jaargang, p. 92-104).

Op 30 december 1907 liet mej. W. Wessels in een openbare les enkele elementen van de 'methode Dalcroze' zien en ze noemde dat 'rhythmische gymnastiek'. De les gaf aanleiding tot enkele artikelen in het Correspondentieblad van 1908, onder anderen van J.H. Reys en C. Meijerink, in een vertaling van een artikel uit de Die Deutsche Turnzeitung. Door hen werden de nodige kanttekeningen geplaatst bij de 'rhythmische Gymnastiek'.

Met de publicaties van C.M.J. Korpershoek in 1909 en 1913 (in: Kramer, 1967) over ritmische gymnastiek, krijgt 'de nieuwe richting' en de tegenstelling natuurlijk-kunstmatig, voor het eerst echt aandacht in theoretische zin.

Promotor van het eerste uur van de 'nieuwe richting' was W. Boer. In zijn kielzog geschiedde de introductie in Nederland van de denkbeelden van R. Bode en die van C. Loges vooral door F.C.G. Duvergé en K.J.G. Hekkens.

De grote verbreiding van 'het nieuwe levensgevoel' van de 'nieuwe richtingen' in Nederland vond plaats in het midden van de twintigste eeuw. Dat gebeurde meestal door gymnastiekleraren die vaak ook als leid(st)er van een gymnastiekvereniging of als opleidingsdocent aan een ALO en/of CIOS actief waren. Denk daarbij aan M. Hessels, J.G. van As, F.C.G. Duvergé, J.C. van Asch, G.J. van den Bergh, M.M. Kruyne, M.J.G. Hekkens en de dames E. de Vriendt-van der Made, Jeanne van der Most-Leyerweert, Truus Los en Corrie den Hollander. Mede dankzij hun theoretische en/of praktische bijdragen verwierf de ritmische gymnastiek in de tweede helft van de twintigste eeuw definitief een plaats in de lessen lichamelijke opvoeding.