Canonlo

1983

1985

1986

'Mensbeelden achter bewegingsbeelden'

Overzicht verdiepingsteksten

Over de rol van de wijsgerige antropologie binnen de lichamelijke opvoeding

In 1985 verscheen het proefschrift van Jan Tamboer, Mensbeelden achter bewegingsbeelden. In deze studie vraagt Tamboer aandacht voor basisconcepten en uitgangspunten die meestal impliciet, maar soms ook expliciet terug te vinden zijn in opvattingen over lichamelijke opvoeding: 'mensbeelden en lichaamsbeelden'

'mensbeelden en lichaamsbeelden'

Mensbeeld Een tijd- en plaatsafhankelijke, min of meer coherente, omlijnbare en op algemeen geldigheid gerichte interpretatie van wat de mens is en behoort te zijn. Lichaamsbeeld Een tijd- en plaatsafhankelijke, min of meer coherente, omlijnbare en op algemeen geldigheid gerichte interpretatie van wat het menselijk lichaam is en behoort te zijn.
.

Kinantropologie
Men kiest geen mensbeeld, men heeft een mensbeeld waarvan men zich meer of minder bewust is. Bij elke vorm van intentionele beïnvloeding van kinderen door volwassenen speelt dit mensbeeld een belangrijke rol. Het geeft richting aan het handelen van opvoeders omdat het aangeeft wat de mens is, maar ook wat hij behoort te zijn. Voor elke vorm van intentionele bewegingsbeïnvloeding spelen het lichaamsbeeld en het daaraan gekoppelde bewegingsbeeld

bewegingsbeeld

Wat zien we als we naar een beweging kijken? Een verplaatsing van een object? Een handeling, een uitdrukking of een representatie? En wat is de betekenis van de beweging? Het bewegingsbeeld is afhankelijk van mens- en lichaamsbeeld en wordt hier niet verder uitgewerkt. Zie daarvoor Mensbeelden achter bewegingsbeelden (Tamboer: 1985, hoofdstuk 4.4).
op dezelfde wijze een belangrijke rol. Zij geven aan wat het menselijk lichaam is en wat het behoort te zijn… en leveren uiteindelijk inzicht in wat bewegen voor de mens betekent en wat bewegen behoort te zijn.
De wijsgerige antropologie

wijsgerige antropologie

De wijsgerige antropologie bestudeert de filosofische vraag of de mens verschilt van het dier, of de mens meer is dan zijn lichaam. Onderwerpen van studie zijn onder meer:
  • lichaam en geest (ziel), waarbij twee hoofdstromen tegenover elkaar staan: de monistische en de dualistische visie;
  • evolutie als menswording, God of goden en de schepping van mens en wereld;
  • cultuur als menselijke (geestelijke) pool tegenover levende natuur en dode materie;
  • zin of doel van het menselijk bestaan;
  • symboliek van het menselijk lichaam.
is de wetenschap die deze mens- en lichaamsbeelden bestudeert en expliciteert. Voor de specifieke antropologie die samenvalt met alle intentionele bewegingsbeïnvloeding bedacht Tamboer de term kinantropologie. De studie van Tamboer maakte het onder andere mogelijk om alle theorieën over legitimatie, doel en methode van de lichamelijke opvoeding te analyseren, te duiden en enigszins orde te scheppen in de wirwar van opvattingen.

Lichamelijke opvoeding (LO) vanuit het substantiële referentiekader
Stel dat je het lichaam beschouwt als: de huid en wat daardoor omhuld wordt, als een biologische machine met nauwkeurige fysiologische en anatomische gebruiksaanwijzing…. Zo’n zienswijze heeft gevolgen voor de wijze waarop je omgaat met dat lichaam. Je zou er voor kunnen kiezen het te trainen en te oefenen, omdat een zwak lichaam nu eenmaal de geest beveelt terwijl een getraind lichaam de geest kan gehoorzamen. Een dergelijke benadering sluit aan bij het substantiële referentiekader, waarin het menselijke lichaam wordt opgevat als instrument. Dit lichaamsbeeld sluit aan bij de dualistische en materialistische stromingen, die lange tijd het gezicht van de LO in Nederland bepaalden.
Het Duits-Nederlandse stelsel, dat aan het begin van de LO in Nederland staat, toont een dualistisch karakter. In het ‘Schulturnen’ stonden orde en tucht centraal. Met name de ‘vrije oefeningen’ waren analytisch geordend naar de bewegingswetten van het lichaam. Het kind leert door de vrije oefeningen zijn lichaam aan zijn wil ondergeschikt te maken.
Het Zweedse stelsel sluit beter aan bij een meer materialistische stroming; de benadering van het lichaam is hier strikt mechanisch. Natuurwetenschappen vormen het uitgangspunt voor elke oefening, die zeer nauwkeurig omschreven moet worden en evenzo nauwkeurig moet worden uitgevoerd. De bewegingen hebben geen verdere intentie. In zeker zin zou binnen het Zweedse stelsel gesproken kunnen worden van ‘betekenisloos’ bewegen.
In de Oostenrijkse School , die wat later in Nederland opkwam, is een zoeken naar synthese te zien. Dit is bijvoorbeeld terug te zien in de onderwijsuitgangspunten als ‘Gesamtunterricht’, ‘Kindesgemässheit’ en ‘Bodenständigkeit’. De Oostenrijkse School loopt in haar fundering wel enigszins vast wanneer zij stuit op het binnen elk dualistisch denken klassieke brugprobleem

klassieke brugprobleem

Elk dualistisch denken moet kunnen uitleggen hoe lichaam en geest elkaar precies ‘raken’ c.q. beïnvloeden. Descartes sprak in zijn substantie dualisme van de Pijnappelklier waar lichaam en geest zouden samenkomen.
: hoe kun je duidelijk maken dat jouw in beginsel biologische gerichte LO dienstig is voor de vorming van een persoon?

Lichamelijke opvoeding (LO) vanuit het relationele referentiekader
Stel dat je er van uit gaat dat de mens juist via zijn lichaam verbonden is met de wereld. Dat de mens zijn lichaam nodig heeft om de wereld en alles wat hij daar tegenkomt te begrijpen. Dat de eerste vorm van zingeving gelegen is in het lichamelijk-naar-de-wereld staan. Je hebt geen lichaam, maar je bent lichaam. Ook die zienswijze heeft gevolgen voor de wijze waarop je omgaat met dat lichaam. Je zou ervoor kunnen kiezen allerlei ‘beweegsituaties’ te zoeken waarin motorische betekenisgeving samenvalt met het leren kennen van de wereld.
Naast het substantiële referentiekader ontstond in de loop van de vorige eeuw

de vorige eeuw

Ter illustratie: reeds in 1929 verscheen een studie van F.C.G. Duvergé: LO en schoolgymnastiek, gebaseerd op de wijsgerige antropologie van o.a. Ludwig Klages en Henri Bergson. Duvergé heeft daarin sterke kritiek op de gelokaliseerde deelbewegingen van de Zweedse gymnastiek en de gedisciplineerde bewegingen van het Duits-Nederlandse stelsel. Deze stelsels vormden volgens hem een 'slagboom' die de toegang van de LO tot de opvoeding onverbiddelijk afsluit. Duvergé pleitte vanuit zijn antropologie voor vrije, organische, totaalverlopende en uitdrukkingsvolle bewegingen.
, onder invloed van de ontwikkelingen binnen de wijsgerige antropologie, het relationele referentiekader

relationele referentiekader

Het vertrekpunt van het relationele referentiekader is de verbondenheid tussen mens en wereld, zonder elkaar zijn ze niet voorstelbaar. In het leven van alledag is al het lichamelijke geestelijk en al het geestelijke uit zich lichamelijk. De betrokkenheid van de mens op zijn wereld wordt aangeduid met de term (lichamelijke) intentionaliteit.
. Het is een referentiekader met verschillende vertegenwoordigers met diverse interpretaties en invullingen, echter wel met herkenbare ‘familieverwantschap’. Onderzoeker F.J.J. Buytendijk, als vertegenwoordiger van de antropologische beweging, verdient een plaats binnen dit kader. Binnen de wereld van de lichamelijke opvoeding is G. Groenman (1948)

Groenman

Groenman schreef (1948, p.5, 64, 66): ‘ (...) zal blijken, dat de lichamelijke opvoeding een geheel andere betekenis heeft (...) wanneer men is vrijgekomen van de substantiële tegenstelling van en in de mens’. Volgens Groenman is de mens een ondeelbare, ongedeelde eenheid met talrijke functioneermogelijkheden.
voorloper. Deze pleit voor het opheffen van de substantiële tegenstellingen en wil komen tot een meer holistisch mensbeeld. In dit licht beschrijft Groenman elk menselijk handelen als lichamelijk handelen.

Groenman laat ook het sterke onderscheid tussen bewuste en onbewuste handelingen los, waarmee een stap wordt gezet naar de notie van de lichamelijke intentionaliteit

lichamelijke intentionaliteit

In 1945 verscheen Phénoménologie de la perception. Met dit boek veranderde Maurice Merleau-Ponty de wijze waarop men binnen de filosofie aankeek tegen de menselijke lichamelijkheid. Hij beschreef o.a. de lichamelijke intentionaliteit: de voor-reflexieve betrokkenheid van de mens op de wereld via zijn lichamelijkheid. Voor Merleau-Ponty is de menselijke existentie primair een pre-reflexieve, voor-bewuste, voor-persoonlijke lichamelijke intentionaliteit
. Een notie die past binnen het relationeel kader en die in optima forma is terug te vinden bij C. Gordijn.
Gordijn, met in zijn kielzog een aantal geestverwanten

geestverwanten

Denk daarbij aan R.M. Bloem, J.C. van Asch, B.J. Crum, J.W.I. Tamboer, O. Loopstra en P. Heij. De laatste roept in zijn proefschrift (2006), op basis van een expliciet mens- en lichaamsbeeld, op tot een vernieuwing van de lichamelijke opvoeding.
, werkt deze notie uit tot een volledige praxis: het Bewegingsonderwijs. Leerstof, lesopbouw en een uitgebreide didactiek gericht op de door de leerling op te bouwen optimale dialoog met de motorische tegenwereld, op zelfrealisatie en wereldrealisatie. Gordijn deed dat met een aantal navolgers
K. Rijsdorp start zijn antropologie niet vanuit de notie van het intentionele lichaam, maar vanuit een ‘ik’ dat zichzelf realiseert in en aan de wereld. De dialoog tussen het ik, de wereld en de medemens is daarin constitutief. Rijsdorp heeft een poging gedaan zijn ‘dialoog’ te concretiseren in het onder zijn regie tot stand gekomen Basisleerplan lichamelijke oefening voor het algemeen vormend onderwijs.
Stegeman vs. Dekkers
2007, de 40ste Thomas Oriëntatiedag wordt ingeleid door Harry Stegeman en Midas Dekkers. Het belooft een heuse clash te worden, Dekkers heeft immers in zijn boek Lichamelijke oefening (2006) de ‘oorlog’ verklaard aan de LO en Stegeman is op dat moment de beste pleitbezorger van de LO in Nederland. Beide heren zijn onderhoudend, maar tot een confrontatie komt het niet. Dat kan bijna ook niet. De heren vertrekken namelijk vanuit verschillende antropologische referentiekaders en spreken derhalve geheel verschillende talen…
Om Dekkers echt aan te kunnen pakken, zal zijn ‘antropologie

Antropologie

Dekkers beschouwt de mens wanneer het op ‘leren’ aankomt als Kulturwesen: op school leer je je hoofd gebruiken; taal, rekenen, geschiedenis en biologie! Wanneer het op ‘bewegen’ aankomt beschouwt Dekkers de mens plots als Naturwesen: de menselijke natuur voorziet in ‘alles’. Dit levert uiteindelijk een onhoudbare antropologische positie op: een dualisme van bijzondere orde. Beschouwt men de mens als Kulturwesen, dan geldt dat ook voor zijn ‘bewegen’. Bewegingsvormen behoren dan ook tot de cultuur en dienen onderwezen c.q. geleerd te worden.
N.B. de kritiek van Dekkers op diverse aspecten van de bewegings- c.q. sportcultuur blijft overeind. Deze kritiek sluit overigens prima aan bij kritische houding van de LO ten opzichte van de bewegings- c.q. sportcultuur.
’ ter discussie moeten worden gesteld.

Suggestie voor doorstuderen

Literatuurverwijzingen

  • Tamboer, J.W.I. (1985). Mensbeelden achter bewegingsbeelden. Haarlem: De Vrieseborch.
  • Heuvel, A. van den en Bax, H. (2008). Ethiek in beweging, deel I. Assen: Van Gorcum.
  • Kleij, B. van der (2003). De levenskunst van het lichaam. Budel: DAMON, p. 83-191.
  • Dekkers, M. (2006). Lichamelijke oefening. Amsterdam: Contact.
  • Heij, P. (2006). Grondslagen van ‘verantwoord’ bewegingsonderwijs. Budel: DAMON.
  • Merleau-Ponty, M. (1997). Fenomenologie van de waarneming. Vertaling Vlasblom en Tiemersma. Amsterdam: Boom, p. 133-193.
  • Gordijn, C.C.F., Brink, C. van den, Meerdink, P., Tamboer, J.W.I. en Vermeer, A. (1975). Wat beweegt ons. Baarn: Bosch & Keuning.
  • Groenman, G. (1948). De lichamelijke opvoeding als anthropologisch probleem. Groningen: Noordhoff.


Auteur: Gertjan van Dokkum