Canonlo

Rijsdorp, Klaas

'Chalepa kala' ('t Moeilijke is schoon)

Klaas Rijsdorp aanschouwde op 27 november 1911 in Apeldoorn het levenslicht. Al op jonge leeftijd beoefende hij de sporten turnen en atletiek. Hij groeide op in een Nederlands Hervormd gezin en hield de rest van zijn leven vast aan zijn religieuze opvoeding. Zijn beginselvastheid leidde er ook toe dat hij zich tijdens De Tweede Wereldoorlog aansloot bij het verzet

Het verzet

Als gevolg van zijn verzetsactiviteiten werd Rijsdorp gearresteerd en zeven maanden opgesloten in het notoire ‘Oranjehotel’ te Scheveningen en in Kamp Amersfoort.
. In optreden en werk was Rijsdorp een bruggenbouwer die wars was van provocaties en controverses. Hij koos voor de gulden middenweg en hield daarbij steeds zijn lijfspreuk, de in de ondertitel geciteerde uitspraak van de door hem zeer bewonderde Griekse filosoof Plato, voor ogen. Rijsdorp overleed op 27 december 1990 in Bennekom.

Studieloopbaan
Na zijn gymnasiale opleiding in Amersfoort studeerde Rijsdorp voor de akte lichamelijke oefening in Apeldoorn en Utrecht. Eenmaal gediplomeerd volgde hij in de oorlogsjaren de ‘post-academiale leergang

Post-academiale leergang

Deze leergang, ook wel ‘bovenbouw’ of ‘voortgezette studie’ genoemd, was het gevolg van de universitaire ambitie van de eerste rectoren van de ALO-Amsterdam. Ze wilden het vak lichamelijke opvoeding meer aanzien geven door de opleiding te richten op onderzoek. De opleiding bestond daartoe aanvankelijk uit een driejarige (deeltijd)opleiding voor het ‘kandidaatsexamen’ en twee jaar (8 uur per week ’s avonds) voor de ‘bovenbouw. Docenten waren o.a. de hoogleraren F.J.A. Buytendijk Fysiologie), L. van der Horst (psychologie), M.W.Woerdeman (anatomie en antropometrie) en K. Gaulhofer (sociologie). In 1936 werd het 1e diploma van de ‘voortgezette studie’ uitgereikt door de toenmalige rector, prof. dr. K. Gaulhofer.
’ aan de Academie voor Lichamelijke Opvoeding in Amsterdam. Deze rondde hij af met een scriptie Over echt en onecht bewegen

Over echt en onecht bewegen

In deze scriptie bekritiseerde Rijsdorp het bewegingsconcept van het Duitse en Zweedse stelsel.
(1941). Na zijn studie ging Rijsdorp aan de slag als leraar lichamelijke oefening en deed hij onderwijservaring op in het lager- en het middelbaaronderwijs. En passant behaalde hij de MO-akten Pedagogiek en Staatsinrichting, en rondde ook de studie Heilgymnastiek en Massage af. Aangezien een doctoraalstudie Lichamelijke Opvoeding in Nederland ontbrak, vertrok Rijsdorp naar België. Aan de Katholieke Universiteit Leuven volgde hij tevens colleges in de biologie (erfelijkheidsleer en evolutie) en hield hij zich bezig met de studie van het afwijkende kind en de biometrie. Rijsdorp sloot zijn studie in 1951 af met een licentiaatsverhandeling Het oefenmoment in de sport. Vijf jaar later promoveerde hij, eveneens in Leuven, op de dissertatie Sport als jong-menselijke activiteit. In 1959 voegde hij daar na een studie aan de New York University het Certificate on graduate level - Recreation in the United States aan toe.

‘Bouwpastoor’, publicist, redacteur en bestuurder
In de periode 1961-’69 was Rijsdorp rector van de Haagse Academie voor Lichamelijke Opvoeding. Aan dit instituut heeft hij talrijke studenten onderwezen in de vakken pedagogiek, psychologie en speciale theorie van de lichamelijke opvoeding. Daarnaast bekleedde Rijsdorp vele voor de vakwereld relevante (bestuurs)functies. Vaak moest hij de zaak vanaf de grond opbouwen, wat hem de kwalificatie ‘bouwpastoor’

‘Bouwpastoor’

Ook op jongere leeftijd was Rijsdorp een 'opbouwer'. Zo was hij op 28-jarige leeftijd voorzitter van de turnvereniging SSS (Sport Staalt Spieren) in zijn geboorteplaats. In 1946 en 1947 was hij nauw betrokken bij de oprichting van de Nederlandse Volleybalbond, stichtte in Utrecht een aantal clubs en vertaalde de Engelse spelregels. Bovendien initieerde hij de oprichting van een commissie om soft- en honkbal te promoten.
opleverde. Ook als Inspecteur van het Onderwijs in Den Haag (1951-’60), belast met het toezicht op de lichamelijke opvoeding, verrichtte hij pionierswerk.

Binnen de vakwereld in Nederland speelde Rijsdorp een prominente rol. Hij was een veelgevraagd spreker, lid van vele (vakwerkplan)commissies

Vele commissies

Zo was Rijsdorp voorzitter van de examencommissie m.o. lichamelijke opvoeding, de commissie modernisering leerplan lichamelijke oefening, de West-Europese Werkgroep met betrekking tot de hedendaagse lichamelijke opvoeding. Voor de viering van het 100-jarig bestaan van de KVLO in 1962 was hij lid van de Prijsvragencommissie en de Gedenkboekcommissie.
en een vruchtbaar publicist. In alle opzichten was hij een ‘bruggenbouwer’ en leverde ook een grote bijdrage aan de samenwerking tussen Thomas van Aquino en de KNVLO. Hij schreef enkele artikelen in Richting (1946-1947) maar was vooral actief voor De Lichamelijke Opvoeding. Voor het vakblad De Lichamelijke Opvoeding schreef hij zeer veel artikelen, verzorgde diverse rubrieken

Diverse rubrieken

Rijsdorp verzorgde van 1952 tot en met 1984 in De Lichamelijke opvoeding de rubriek ‘De wijde wereld’. Via deze rubriek informeerde hij de vakwereld over wat er speelde in de rest van de wereld. Van 1959 tot en met 1986 schreef hij Kanttekeningen. In deze rubriek van De Lichamelijke Opvoeding plaatste Rijsdorp kanttekeningen bij de actualiteit. Tevens besprak hij in het vakblad met grote regelmaat nieuw verschenen boeken en schreef verslagen van congressen.
, was redactielid (1947-’58), eindredacteur (1958-’72) en redactievoorzitter (1958-’81). Zijn belangstelling voor de geschiedenis van de lichamelijke opvoeding bleek uit de vele publicaties die hij, meestal in samenwerking met Peter Kramer, aan dit onderwerp wijdde.

Buiten Nederland was Rijsdorp actief betrokken bij de oprichting van de Internationale Arbeitskreiz für zeitgemäße Leibeserziehung en trad hij op als redactielid van gerenommeerde vakbladen als International Journal of Physical Education en Sportwissenschaft. Hiermee, en in zijn functie als president van de ICHPER (International Councel of Health Physical Education and Recreation), heeft hij de belangen van de lichamelijke opvoeding ook op internationaal gebied behartigd.

Wetenschappelijke carrière
Rijsdorp werkte in Indonesië (1948-1951), als docent en later als lector

Lector

Rijsdorp doceerde de theorie en didactiek van de lichamelijke opvoeding en promootte en passant het volleybalspel. Zijn werk in indonesië leverde hem de eretitel bapak guruh (wijze vader/meester) op.
aan de Universiteit van Bandoeng. Van 1969 tot 1979 was Rijsdorp verbonden aan de Rijksuniversiteit te Utrecht als eerste bijzonder hoogleraar

Bijzonder hoogleraar

Met de benoeming van Rijsdorp als bijzonder hoogleraar werd tevens de eerste stap gezet in de richting van een lang gekoesterde wens om tot een nauwere band tussen universiteit en de Studie van de Lichamelijke Opvoeding en de Sport te komen. Zijn inaugurele rede was getiteld Theorievorming en experiment in lichamelijke opvoeding en sport.
in de Wetenschap van de Lichamelijke Opvoeding en de Sport, en als directeur van het Gymnologisch Instituut

Gymnologisch Instituut

De bijzondere leerstoel (1969) die Klaas Rijsdorp vervulde is opgericht als initiatief van de Stichting voor de wetenschap van de lichamelijke opvoeding en de sport. Op 18 augustus 1970 wordt bij notariële akte opgericht de Stichting Studiecentrum voor Lichamelijke Opvoeding, Sport, Bewegingsrecreatie en Aanverwante Gebieden te Utrecht (SSU). Om de doelstellingen van de SSU te realiseren, werd gelijktijdig het Gymnologisch Instituut (1970) opgericht. Klaas Rijsdorp werd hoogleraar-directeur van dit instituut (Lichamelijke opvoeding 1970, 58e p. 718).
. In nauwe samenwerking met zijn naaste medewerkers werd een aantal leergangen

Een aantal leergangen

Het betrof hier de leergangen voor Bewegingsagogie, Psychomotorische Therapie, Staf- en Kaderfuncties, Fysiotherapie, Voetbaloefenmeesters B voor leraren M.O. Lichamelijke Oefening, Motorisch Remedial Teaching en applicatiecursussen voor het Meer Bewegen voor Ouderen.
opgezet op het gebied van specialisatie, nascholing en veldonderzoek. Op het Gymnologisch Instituut voelde Rijsdorp zich, zoals zijn collega hoogleraar Gordijn het typeerde, ‘bewegend thuis’.

Waardering
Uit zijn functies en publicaties blijkt dat Rijsdorp als geen ander de wetenschap verbond met de dagelijkse praktijk. Hij werd nationaal en internationaal gewaardeerd om zijn veelzijdige en kwalitatief hoogwaardige werk in dienst van de lichamelijke opvoeding en de sport, zijn bemoeienis met de bewegingsrecreatie, en het bewegingsagogische aspect van de zwakzinnigenzorg. Die waardering leidde in 1962 tot het erelidmaatschap van de vakorganisaties KNVLO en Thomas van Aquino, en van de Nederlandse Vereniging voor Psychomotorische therapie. Tevens ontving hij de Groll-plaquette (1978), een Koninklijke onderscheiding tot officier in de orde van Oranje Nassau (1979), het eerste eredoctoraat in de lichamelijke opvoeding in de geschiedenis van de Universiteit Gent (1984), een eervolle benoeming tot Fellow American Academy of Physical Education en de International Recognition Award Iowa State University.

Literatuurverwijzingen

  • Kramer, J.P, Schamhardt, H. en Langeveld, M.J. (1969). Enkele artikelen over Rijsdorp bij zijn benoeming als bijzonder hoogleraar alsmede over de bijzondere leerstoel. Verzameld in een extra nummer (57e, 12 april, p. 285-316) van De Lichamelijke Opvoeding.
  • Groenman, R.W. (1973). Rijsdorp 25-jaar redakteur. Lichamelijke Opvoeding, p. 99.
  • Lommen, N. (1979<1980>). Professor Dr. K. Rijsdorp. In: Nauta, J. en Vlasblom, H.J. (red.). Lichamelijke opvoeding in perspectief. Utrecht/Lochem: Gymnologisch Instituut/De Tijdstroom, p. 317-337
  • https://profs.library.uu.nl/index.php/profrec/getprofdata/1734/65/140/0
  • Lommen, N. (1981). Professor dr. K. Rijsdorp 7 x 10 jaar. Lichamelijke Opvoeding nr. 20, p. 692-694.
  • Keukelaar, J. (1981). Rijsdorp: zijn leven, zijn werk. De Lichamelijke Opvoeding nr. 20, p.688-691.
  • Kramer, J.P. (1981). Rijsdorp 70 jaar. De Lichamelijke Opvoeding nr. 20, p.687.
  • Laporte, W. (1984). 75 jaar lichamelijke opvoeding aan de RUG (Uit het verleden van de RUG nr. 17). Gent: Archief R.U.G. p. 68- 69.
  • Kramer, J.P.; Lommen N. (1987). Geschiedenis van de Lichamelijke Opvoeding in Nederland. Zeist: Jan Luiting Fonds. p.139-146.

Auteurs:
Jan Bovend’eerdt (versie 1: 2012)
Jaap Tuinenga (versie 2: 2016)