Canonlo

Loopstra, Oene

Bevlogen pleiter voor verantwoord leren bewegen en voorzitter (1988-2001)

Oene Loopstra is geboren op 29 september 1936 in Heerenveen. Het gezin Loopstra verhuisde naar Joure, waar hij zowel de lagere school als de HBS heeft gevolgd. In zijn vrije tijd was hij lid van een turnvereniging in Joure. Na het behalen van het HBS-diploma in 1957 ging Oene Loopstra studeren aan de Christelijke Academie voor Lichamelijke Opvoeding (CALO), de eerste twee jaar nog in Rotterdam, daarna in Arnhem. Hij werd hier opgeleid in en beïnvloed door de door C.C.F. Gordijn ontwikkelde ‘Leer van het menselijk zich bewegen’.

Leraar LO en vervolgstudie
Na het afstuderen accepteerde Loopstra een baan als leraar lichamelijke opvoeding aan het Christelijk Lyceum in Emmen. Van daaruit maakte hij de overstap naar de Pabo, ook in Emmen. Naast zijn werk op school ging hij onderwijskunde studeren in Groningen. Daar kwam hij in aanraking met het wetenschappelijk en didactisch denken van Leon van Gelder. Met name het door Van Gelder ontwikkelde model van didactische analyse heeft invloed gehad op de theorievorming van lichamelijke opvoeding in Nederland. Loopstra studeerde in 1973 af op een onderzoek naar de effecten van instructie op het leren van leerlingen. Dit onderzoek kan gezien worden als een vervolg op het leerpsychologisch onderzoek van Henk Pijning.

Docent op de CALO
Na de afronding van zijn studie onderwijskunde kreeg Loopstra een aanstelling als docent op de CALO in Arnhem (1974). Daar kwam hij in contact met een groep docenten die net als hij op de CALO hadden gestudeerd en daar nu als docent werkten. De theoriedocenten Ben Siemes, Piet Meerdink en Jan Tamboer

Ben Siemes, Piet Meerdink en Jan Tamboer

Deze docenten zijn, naast dat zij zelf gymnastiekleraar zijn, in hun theorievorming sterk beïnvloed, via Bart Crum, door de denkbeelden in de West-Duitse Sportdidactiek (K. Dietrich en W.D. Brettschneider).
hadden na hun CALO-opleiding gestudeerd aan de Interfaculteit voor Lichamelijke Opvoeding aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. In navolging van de trend op West-Duitse opleidingen voor leraar lichamelijke opvoeding werd de werkvorm didactisch practicum in de Nederlandse opleidingspraktijk ingevoerd, met als bedoeling de kloof tussen theorie en praktijk te dichten. Met name de ontwerpactiviteiten tijdens deze didactische practica hebben geleid tot vele nieuwe leersituaties. De eerder genoemde theoriedocenten werkten in het kader van het practicum samen met een aantal ‘tweede generatie’-praktijkdocenten, m.n. Cor Maan, Gijs van den Berg, Gert van Driel, Tim de Jong, Mart Regterschot, Siert Huizinga en Evert Kruithof. In 1983 verscheen van de hand van Loopstra het boek Over bewegen en bewegingsonderwijs. Hierin beschreef hij het ontwikkelwerk van de groep docenten, met name de eerste aanzetten tot een theorie van de betekenisgebieden. Het waren deze ideeën die de ordeningen in de vakwereld van de lichamelijke opvoeding blijvend zouden veranderen.

Rector van de HALO en voorzitter van de KVLO
In 1987 verliet Loopstra de CALO. Hij volgde Peter Kramer op als rector van de Haagse Academie voor Lichamelijke Ovoeding (HALO) en een jaar later ook als voorzitter van de KVLO. In beide hoedanigheden bleef hij trouw aan zijn in Arnhem ontwikkelde ideeën. De onderwijskundige en rationele benadering van Loopstra hebben belangrijke gevolgen gehad voor de kwaliteit van de lichamelijke opvoeding. Zo werden in de periode van zijn KVLO-voorzitterschap onderwijskundige principes van de 'Arnhemse school' vertaald in een algemeen basisdocument voor het basisonderwijs, kwam het beroepsprofiel voor de leraar lichamelijke opvoeding tot stand, werd gewerkt aan een verdere toenadering tussen de wereld van de sport en die van de lichamelijke opvoeding en werd de wetenschappelijke bestudering van de lichamelijke opvoeding gestimuleerd. Loopstra vormde samen met zijn rechterhand secretaris Truus van der Gugten en sterk bestuurlijk duo. Samen waren zij jarenlang het gezicht van de KVLO.

Op veel fronten actief
Loopstra ontwikkelde als KVLO-voorzitter een groot netwerk in de politiek en in de wereld van wetenschap en sport. Zo was hij bestuurslid van het Jan Luiting Fonds en voorzitter van de Stichting voor de Wetenschap van Lichamelijke Opvoeding en Sport (SWLOS). Loopstra was ook internationaal actief. Zo was hij lid en voorzitter van de Internationale Arbeitskreis für Zeitgemässe Leibeserziehung (IAZL). In 1990 was Loopstra mede-initiatiefnemer en eerste voorzitter van de European Physical Education Association (EUPEA). In deze hoedanigheid heeft hij een grote bijdrage geleverd aan de zgn. startverklaring van Madrid. Behalve voor vakinhoudelijke ontwikkelingen heeft Oene Loopstra zich ook sterk gemaakt voor de arbeidsvoorwaardelijke ontwikkeling van het beroep. Hij was lid en voorzitter van de CMHF

CMHF

De Centrale van Middelbare en Hogere Functionarissen bij Overheid is onderdeel van de MHP. De MHP, de vakcentrale voor middengroepen en hoger personeel, is in 1974 opgericht en één van de drie vakcentrales in ons land.
.

Loopstra bleef voorzitter van de KVLO tot 2001 In deze hoedanigheid schreef hij enkele (hoofdstukken in) boeken en een groot aantal artikelen. Geliefd en gevreesd waren zijn beschouwingen op de ‘Eerste Pagina’ van elk nummer van het vakblad Lichamelijke Opvoeding.

Oene Loopstra werd in 2001 bij zijn afscheid als voorzitter van de KVLO benoemd tot ridder in de orde van Oranje Nassau en tot ere-voorzitter van de KVLO. Na zijn aftreden als voorzitter bleef hij nog een aantal jaren actief in het bestuur van de Stichting voor de Wetenschap van de Lichamelijke Opvoeding de Sport en als voorzitter (1997-2004) van de CMHF.

Oene Loopstra overleed op 10 februari 2014. Jan Rijpstra, voorzitter van de KVLO, sprak bij zijn afscheid onder meer de volgende woorden: 'De leerlingen, daar ging het bij Oene Loopstra om. Bij alles wat hij deed, stond het belang van het opgroeiende kind voorop. Het was voor hem onbegrijpelijk dat politici dat niet konden of wilden begrijpen. Hij had het in het geschrift Bewegingsarmoedig Onderwijs II (1987) al gesteld: ‘Men kan niet aan de indruk ontkomen dat binnen het onderwijs in de lichamelijke oefening in Nederland niet vanuit de behoeften van het kind gedacht wordt, doch vanuit materieel-economische motieven. Vanuit vele invalshoeken wordt aangetoond dat wat op jeugdige leeftijd verloren is gegaan, op latere leeftijd niet meer terug te winnen is. Dat betekent ook dat aan het (psycho-physisch) welbevinden van het kind - de latere volwassene - onberekenbare schade wordt toegebracht’.

Auteurs: Gert van Driel en Harry Stegeman